Wat het Evangelie van Mattheüs leert over leiderschap

A A A

De wereld heeft zeer hoge verwachtingen van haar leiders – niet alleen in termen van bekwaamheid, maar ook in termen van goed gedrag. Wij hebben vastgesteld dat de wereld op zoek is naar leiders die geven om iedereen in hun bedrijf, die zorgzaam zijn, die naar anderen luisteren, die nederig zijn en die bereid zijn hun fouten toe te geven.

Dezelfde verwachtingen worden ook in de plaatselijke gemeente gevonden. Maar waar komt de kracht of de motivatie vandaan om zo’n zachtaardige en nederige leider te zijn?

Wij stellen zes implicaties met betrekking tot leiderschap in de gemeente voor die wij ontlenen aan de gegevens in het Mattheüsevangelie. Wij zullen ze uitdrukken vanuit het perspectief van de leider zelf.

1. Ik moet erkennen dat mijn natuurlijk leiderschap dat van de Farizeeërs en Schriftgeleerden is
In het evangelie van Mattheüs zien we van dichtbij een leiderschap dat vleselijk is en zich niet onderwerpt aan het model van Christus. Het is een leiderschap dat ons de rillingen over de rug doet lopen. Het is een leiderschap dat egoïstisch, hypocriet en gewelddadig is.

En toch, de zeer donkere vraag voor ons is: herken ik in hen mijn stijl van leiderschap, zonder de genade van Christus? Bespeur ik in het leiderschap van de Farizeeën en Schriftgeleerden wat ik was in mijn oude mens?

Want de leiderschapsstijl van de Farizeeën en Schriftgeleerden laat zien welke verleidingen mij te wachten staan in het leiderschap van de kerk. Ik weet nu uit de Schrift welke strikken er in mijn zondige hart zijn, waar ik waakzaam voor zal moeten zijn en tegen zal moeten vechten:

  • Ik weet dat ik van nature in de verleiding zal komen om mijn gezag te overschrijden, leugens te vertellen en zelfs om Gods waarheid te verbergen ten behoeve van mijn eigen reputatie (28:11-15).
  • Ik zal in de verleiding komen mijn werken van gerechtigheid te beoefenen om door de mensen verheerlijkt te worden (23:5; 6:5).
  • Ik zal in de verleiding komen om de eerste plaats in te nemen en mij op een voetstuk te laten plaatsen (23:7).
  • Ik weet dat ik in de verleiding zal komen om genade te willen missen (9:13; 12:7; 23:23).
  • Ik zal zelfs in de verleiding komen om bekeerlingen te “maken” om de verkeerde redenen (23:13).
  • Ik kan de schijn wekken dat alles rooskleurig is in mijn christelijk leven, terwijl van binnen alles verre daarvan is (23:25).

Als ik mezelf niet herken in het leiderschap van de Farizeeën, is de strijd al verloren. Maar als ik voor God de zonden belijd die in mij blijven, zal ik kunnen rusten in Christus en in Zijn reddende genade om een andere leider te kunnen zijn. Als ik in mijzelf niet de noodzaak zie om mij tot Christus te wenden voor leiderschap, zal ik niet in staat zijn te veranderen.

Als ik eerlijk ben in het onder ogen zien van mijn vleselijke verlangens, zal ik in staat zijn om beveiligingen aan te brengen om mijzelf te beschermen tegen mijzelf, en ook anderen te beschermen. Mijn hart kennende, kan ik niet doen alsof ik onschuldig zal zijn omdat ik een gered mens ben. Ik kan niet doen alsof egoïsme en fysiek of psychisch misbruik geen verleidingen voor mij zullen zijn. Natuurlijk bidden wij tegen deze dingen, maar wij kunnen er niet zeker van zijn dat zelfs een wedergeboren predikant of ouderling niet in zulke valstrikken zal trappen.

Misschien betekent dit dat ik sommige mensen (misschien niet iedereen, anders zou het te ontmoedigend zijn!) carte blanche moet geven om mij te berispen als ik over de schreef ga of als zij gevaarlijke wegen of handelwijzen in mij bespeuren. Ik moet structuren opzetten voor het afleggen van verantwoording, om schuld aan te laten wijzen en voor een transparante houding. Heb ik deze open deur gegeven aan andere oudsten, aan mijn collega’s, aan sommige vrienden? Dit zal mij als schaap beschermen, en de kudde beschermen die aan God toebehoort.

Inzicht in vleselijk leiderschap weerhoudt me er ook van trots te zijn als een andere leider valt. Ik moet niet opscheppen dat ik beter ben. Ja, misbruik is verschrikkelijk, maar ik ben niet superieur. Het is door de genade van God alleen dat ik me daartegen verzet heb. Zonder de genade van Christus, ben ik een dwaze en blinde leider die anderen naar de ondergang leidt. “Ik zeg tot een ieder van u: acht uzelf niet te hoog, maar denkt nederig” (Romeinen 12:3).

2. Ik moet me realiseren dat God het leiderschap van Zijn volk zeer serieus neemt
Eén ding is duidelijk uit het evangelie van Mattheüs: God neemt het leiderschap van Zijn volk zeer serieus. Hij is verre van een afstandelijke God, maar veeleer een God die ingrijpt en leiders oordeelt. Hij is niet bang om slechte herders te veroordelen (zie bijvoorbeeld hoofdstuk 23). Hij ging zelfs zo ver dat Hij Zijn beloofde Zoon zond om Zijn schapen te redden (2:6). Hij waakt over Zijn schapen en verlangt naar leiderschap dat gevormd is volgens het model dat Christus geeft (11:28-30).

Besef ik hoe belangrijk mijn werken zijn voor God? Besef ik dat Hij naar mij kijkt en dat ik aan Hem verantwoording zal moeten afleggen voor de wijze waarop ik Zijn volk heb behandeld?

Misschien ben ik aan de reis van het leiderschap begonnen zonder te beseffen welke enorme verantwoordelijkheid dit met zich meebrengt. Het evangelie van Mattheüs waarschuwt dat het leiderschapsmodel eeuwige gevolgen heeft voor de menigte. Misschien betekent dit dat ik voorzichtig moet zijn alvorens de handen op te leggen, om ervoor te zorgen dat jonge mensen zich bewust zijn van de verantwoordelijkheid die het pastoraat met zich meebrengt, alvorens eraan te beginnen.

Tegelijkertijd zijn er leiders nodig. De oogst is nog steeds groot, en er is nog steeds een tekort aan arbeiders (9:37-38). En ik moet voorkomen dat ik mensen te langzaam de handen opleg, alsof men perfect moet zijn om leider te zijn. Het evangelie van Mattheüs laat mij zien dat leiders onder Gods barmhartigheid zullen leven en niet door rechtvaardig te zijn in zichzelf. Wat een opluchting! Maar God neemt het leiderschap van Zijn kudde zeer serieus. Zal ik eerlijk zijn tegen mannen als ik hen aanmoedig om zich voor te bereiden en te laten vormen voor de bediening en hen uitleggen hoe ernstig dit is?

Bid ik voor mijn leiderschap en karakter? Ben ik omringd door mensen die voor mij bidden? Of denk ik ‘het komt wel goed’? Ik zie dat de kudde de kudde van YHWH is en dat zij het waard is om onder-herders te hebben die volgens het Evangelie leven.

3. Ik moet rusten in de leiding van Christus
De zonde kennende die in mij blijft, begin ik misschien grote vrees te hebben voor onze gemeente. Ik kan bang zijn dat ik niet opgewassen ben tegen het vereiste leiderschap. Als dit het geval is, is mijn eerste essentiële stap te rusten in de leiding van Christus. Want Hij kwam juist om voor Zijn kudde te zorgen – en Hij is daarin geslaagd. Alle gezag is Hem reeds door de Vader gegeven (11:27; 28:18). Niemand kan Zijn schapen uit Zijn hand rukken (Joh. 10:27-28).

Dat betekent dat ik fouten kan maken. Dank U Heere! Ik kan in mijn leiderschap zonder angst fouten maken, of het nu gaat om praktische keuzes (bijv. welke zaal te huren) of om meer geestelijke zaken (over welk boek te preken, wie aan te stellen als oudste, hoe deze persoon in moeilijkheden te bemoedigen). Ik kan worden ontheven van de verantwoordelijkheid om het volk naar glorie te leiden. Want Hij alleen is de soevereine Herder (Hebr. 13:20).

Natuurlijk is het niet de bedoeling om fouten te maken, maar ik heb de zekerheid dat Christus de Herder is die de kudde zal hoeden totdat wij ons in het hemelse Jeruzalem bevinden. Zelfs het slechte en vernietigende leiderschap van de Farizeeën en Schriftgeleerden weerhield Jezus er niet van Zijn schapen te redden. Onze fouten worden bedekt door de goedheid en de kracht van Jezus.

Als Hij de Grote Herder van de kudde is, dan verandert dat de manier waarop ik mijn identiteit als leider en onder-herder zie. Dit brengt ons bij het volgende punt.

4. Ik moet mezelf zien als een instrument in de barmhartige missie van de Herder
Zoals we hebben gezien, zal de Herder Zijn schapen zeker verzamelen. Wat opvalt in het evangelie van Mattheüs is dat Hij zendt om te verzamelen. Wanneer Jezus de kudde geslacht ziet worden als schapen ‘zonder herder’, grijpt Hem dat aan, en Zijn reactie is het zenden van nieuwe herders (9:36-10:5). Deze onder-herders zijn de middelen waarmee Jezus de verlossing zal volbrengen.

Dit betekent dat mijn leiderschapsrol automatisch inhoudt dat ik op zoek ga naar de verlorenen. Er is geen sprake van het zijn van een onder-herder zonder medelijden te hebben met hen die geen herder hebben. Er is geen sprake van het alleen zorg dragen voor gelovigen, want Jezus volbrengt zijn verzameling van verlorenen door nieuwe leiders te zenden. Volgens Jezus betekent leider zijn dienen, en dienen betekent lijden voor de redding van de verlorenen (20:25-28). Ben ik nu aan het dienen en lijden om de verlorenen voor Christus te winnen? Want dat is de essentie van de rol van de onder-herder.

Misschien denk ik dat er zoveel problemen zijn die in de gemeente moeten worden opgelost en zoveel gelovigen die opvolging nodig hebben. Zelfs dan mag ik niet verzuimen naar buiten te kijken. Want als een gemeente niet naar buiten en naar het heil van anderen begint te kijken, hoe zal die kerk dan in een goede positie zijn om voor de zielen binnenin te zorgen? Beide groepen mensen hebben het Evangelie nodig.

We verliezen het verlangen om uit te reiken misschien door ontmoediging of louter wereldse gedachten. Door luiheid of gebrek aan liefde beginnen onze gebeden voor de verlorenen te verminderen of verliezen ze hun vurigheid. In dit geval kan ik mij deze belangrijke les herinneren: het was uit medelijden met de herder-lozen dat Jezus om arbeiders bad (9:38).

Wanneer de gemeente die ik dien in haar denken de focus op het Evangelie heeft verloren, kan ik mezelf eraan herinneren dat de Heere medelijden heeft met de verlorenen – en dat het mijn taak is om het Evangelie te prediken. Maar in plaats van mezelf te dwingen om medelijden te hebben met de verlorenen, herinner ik me dat het Jezus is Die medelijden heeft met de verlorenen, en dat Hij het is Die mij zendt.

Ik zeg niet dat de voorganger of oudste al het evangelisatiewerk in de gemeente moet doen, of dat alle samenkomsten evangeliserend moeten zijn – verre van dat. Ik zeg dat het doel van het zoeken van de verlorenen ‘primair’ moet zijn in het mandaat van de gemeente.1 Natuurlijk is de beste manier om dit te doen niet dat ik, als leider, ernaar streef om het allemaal alleen te doen, maar eerder om gemeenteleden te trainen om mee te doen – om evangelisten te zijn in hun straat of werkplaats. Rust ik leden toe om dit te doen?

5. Ik moet ervoor zorgen dat ik de God van mededogen onderwijs zoals Hij werkelijk is
Mattheüs toont ons twee modellen van onderwijs. Beide beweren gebaseerd te zijn op de Schrift – maar in werkelijkheid is de ene gebaseerd op de leringen van mensen (15:9). De Joodse leiders hielden ervan om anderen moeilijke lasten op te leggen (23:4). Zij leerden een harde en wrede God (25:24) Die vele hindernissen opwerpt voor mensen die het koninkrijk der hemelen willen binnengaan (23:13).

De nieuwe Leider, Jezus Christus, verscheen en onderwees een geheel andere manier om het koninkrijk binnen te gaan, die een schandaal veroorzaakte! Hij leerde genade. Bij het koninkrijk horen is gratis! Het is voor de armen (5:3). Klop gewoon en de deur zal opengaan (7:7-8). Hij leerde de vergeving van een grote schuld die voortkomt uit het mededogen van de Koning (18:27). Welke visie op God moet ik als onder-herder onderwijzen? Een hardvochtige God of een Die rijk is aan mededogen? Het is niet verwonderlijk dat Jezus mij oproept om Zijn leer te volgen (28:20).

Ik vraag me niet alleen af of ik genade onderwijs, maar ook of ze centraal staat in mijn boodschap, net zoals ze dat staat voor de soevereine Herder. Leer ik de God die te elfder ure het paradijs aanbiedt, gewoon omdat Hij goed is (20:15)? Wij moeten proberen ervoor te zorgen dat de mensen aan het einde van de samenkomst het gebouw verlaten met één ding voor ogen: hoe genadig God is voor zondaars! Is dit het geval voor onze gasten en gemeenteleden?

Zeker, het is goed om de leden aan te sporen tot godsvrucht en een radicaal leven – maar niet door Gods ondoorgrondelijke ontferming te onderdrukken. Anders zou ik mensen opnieuw lasten opleggen. Het is echter de taak van de herder om voor de zwakken te zorgen en om medeleven te tonen. Het is daarentegen de wolf die de kudde teistert, niet de herder.

Geef ik bij het onderwijzen van de Psalmen, Evangeliën, Profeten, Brieven, Openbaring, enz. consequent een visie van God Die rechtvaardig, goed en barmhartig is? Zeker, Zijn eisen om het koninkrijk der hemelen binnen te gaan zijn zeer hoog: Hij is driemaal heilig. Maar Jezus heeft onze gerechtigheid voor ons vervuld (3:15). Hij dronk de bittere beker van Gods toorn (26:39), zodat God de onrechtvaardigen rechtvaardig kan verklaren (Rom. 3:26).

Als ik Gods mededogen leer, zal dat het leven van de leden veranderen. Want alleen wie de schuld begrijpt die vergeven is, zal in staat zijn te vergeven ‘met geheel [zijn] hart’ (18:35; 6:12). Alleen door Gods barmhartigheid te begrijpen, zullen wij barmhartig zijn voor anderen (5:7). Het is genade alleen die ons leert een leven van gerechtigheid te leiden (Titus 2:12).

Als ik onder Gods genade leef, zal ik mijn gedrag als leider zien veranderen. Ik zal meer en meer op Christus gaan lijken in zachtmoedigheid en nederigheid. Zijn leiderschap is zo zachtmoedig, nederig en geduldig met de zwakken (11:28-30): het breekt het gebroken riet niet (12:20). Hoe meer ik mediteer over Zijn leiderschap waarin ik mij verheug, hoe meer ik het zal weerspiegelen in mijn leiderschap.

6. Ik moet me verheugen in het voorrecht om een onder-herder te zijn
In de eerste brief van Petrus lezen we deze vermaning voor onder-herders (5:2-4):

“Hoed de kudde van God die bij u is en houd daar toezicht op, niet gedwongen, maar vrijwillig; niet uit winstbejag, maar bereidwillig; ook niet als mensen die heerschappij voeren over het erfdeel van de Heere, maar als mensen die voorbeelden voor de kudde geworden zijn. En als de Opperherder verschijnt, zult u de onverwelkbare krans van de heerlijkheid verkrijgen.”

Veel van deze leerstellingen komen ook krachtig naar voren in het Evangelie van Mattheüs. Laten we ons tot slot concentreren op de eerste vermaning. Ik moet handelen “niet gedwongen, maar vrijwillig.”

Er zijn zoveel moeilijkheden in het zijn van een onder-herder, waaronder afwijzing en vermoeidheid. Jezus zendt de twaalf uit als schapen onder wolven (10:16). Leiders zullen, indien zij de leer van Christus volgen, het bijzondere doelwit zijn van de pijlen die door de tegenstanders worden gezonden.2 “En u zult door allen gehaat worden omwille van Mijn Naam” (10:22).

Dit gezegd hebbende, is er een groter voorrecht dan een onder-herder te zijn voor de eeuwige Koning? Ons leven zal kort zijn. We hebben maar één leven te leven op aarde. En God heeft ons in deze tijd het voorrecht gegeven om leiders van Zijn kudde te zijn. Wij maken deel uit van Zijn plan om de uitverkorenen te verzamelen door de komst van zijn koninkrijk te onderwijzen.

Zijn volk hoeden onder Zijn wakend oog is een van de grootste voorrechten op aarde. Dus laat me dankbaar zijn. Het is een zware en dringende taak, maar onze Leider is zo edelmoedig dat Hij ons werk vreugdevol maakt. Ik zou dus graag de Meester met een glimlach dienen, in afwachting om Hem van aangezicht tot aangezicht te zien, en de kroon te ontvangen die Hij door genade aanbiedt.

“De God nu van de vrede, Die de grote Herder van de schapen, onze Heere Jezus Christus, uit de doden heeft teruggebracht, op grond van het bloed van het eeuwige verbond, moge u toerusten tot elk goed werk om Zijn wil te doen, en in u werken wat in Zijn ogen welbehaaglijk is, door Jezus Christus. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen!” (Hebreeën 13:20-21).

Eindnoten

  1. Mark E. Dever en Paul Alexander, L’Église intentionnelle, vertaald uit het Engels (The Deliberate Church: Building Your Ministry on the Gospel, 2005) door Lori VARAK, Lyon, Clé, 2007, p. 51.
  2. Donald Carson verklaart eveneens dat de leiders “het meeste lijden » (The Cross and Christian Ministry, Leadership Lessons from 1 Corinthians, Grand Rapids, Baker, 1993, p. 108).

Bron
Met toestemming overgenomen en vertaald van https://www.institutbiblique.be/article?x=le-bon-leader-d-une-eglise-locale op de website van het Institut Biblique de Bruxelles.