Trouwen of samenwonen?

A A A

Dirk Lemmens heeft het over zin en onzin van het ‘boterbriefje’. Bijgaand artikel is later verwerkt in het boek Meer dan Liefde, Gods plan voor je huwelijk.

Inleiding

Samenwonen wordt vandaag de dag door velen beschouwd als een gelijkwaardig alternatief voor het traditionele burgerlijk huwelijk. Weekbladen spreken niet langer over man en vrouw binnen het huwelijk, maar over “partners in een relatie”. De wetgever vraagt (voorlopig-) nog wel dat, wie zijn huwelijk in de kerk wil laten bevestigen, eerst het burgerlijk huwelijk op het stadhuis afsluit, maar tegelijk erkent hij in grote delen van de wetgeving een samenwoningsrelatie toch als gelijkwaardig aan het burgerlijk huwelijk. Verschillende keren heb ik, tijdens de huwelijksceremonie, de ambtenaar van de burgerlijke stand uitgebreid over echtscheiding horen spreken!

Het is dan ook niet verwonderlijk dat christen jongeren zich steeds meer vragen rond de zin van het burgerlijk huwelijk gaan stellen. Ze leven in een maatschappij waar de waarde van het burgerlijk huwelijk openlijk door de overheid zelf uitgehold wordt. Ze staan onder druk van hun leeftijdgenoten, die samenwonen normaal vinden. Ze kijken om zich heen en zien maar al te vaak hoe weinig zelfs christenen nodig blijken te hebben om tot echtscheiding over te gaan. Velen zijn hun geloof in het burgerlijk huwelijk verloren.

Ze vragen zich dan af: “Waar in de Bijbel staat er dat je op het stadhuis moet trouwen- Je kan toch ook gewoon met elkaar tegenover de Heer elkaar levenslange trouw beloven- Wat heeft een overheid die niets met God te maken wil hebben, daar mee van doen- Het gaat uiteindelijk toch om een zaak tussen ons beiden en God, een drievoudig snoer!”

Al te vaak moeten ze het hierbij stellen met oppervlakkige en slecht doordachte antwoorden. Vele ouders of pastoraal verantwoordelijken komen niet verder dan: “Ieder mens moet zich onderwerpen aan de overheden, die boven hem staan. Want er is geen overheid dan door God en die er zijn, zijn door God ingesteld. Wie zich dus tegen de overheid verzet, wederstaat de instelling Gods, en wie dit doen, zullen een oordeel over zich brengen.” (Romeinen 13:1-2). Wat echter als deze door God ingestelde overheid wetten uitvaardigt die steeds minder rekening houden met Gods Woord, en die het burgerlijk huwelijk niet langer als norm voorop stellen- Is daarmee dan de bijbelse grond voor het burgerlijk huwelijk voorgoed vervallen-

Instituut en ceremonie

Om deze vraag te kunnen beantwoorden, moeten we een onderscheid maken tussen het instituut huwelijk, en de ceremonie die dat instituut omgeeft. Het instituut huwelijk is de essentie van het huwelijk zoals God dat in Zijn Woord ingesteld heeft: verlaten, aanhangen en tot één vlees zijn. Het huwelijk als instituut is onveranderlijk: er kan niets afgedaan worden, en er kan niets aan toegevoegd worden. Het is door God ingesteld en vastgelegd, en staat als zodanig buiten en boven de cultuur. Het is niet gebonden aan, of beïnvloed door tijd en plaats. Omdat het huwelijk niet specifiek is voor de christen, maar tot de scheppingsorde behoort, geldt het huwelijk als instituut zowel voor de niet-christen als voor de christen.

De ceremonie die het huwelijk omringt is daarentegen zeer duidelijk cultureel bepaald. Zo kwam in Israël de verloving1 tot stand doordat iemand zijn dochter ten huwelijk beloofde. Dit gebeurde op zeer jonge leeftijd, en het is dus begrijpelijk dat de ouders deze beslissing namen, vaak zonder overleg met de jongen en het meisje die gingen trouwen.2 Verder was de bruidegom verplicht om aan de vader van de bruid een bruidsprijs te betalen: “Wanneer iemand een maagd verleidt, die niet ondertrouwd is, en gemeenschap met haar heeft, dan zal hij haar tegen de volle bruidsprijs tot vrouw nemen. Indien haar vader ten stelligste weigert haar aan hem te geven, dan zal hij de bruidsprijs der maagden aan zilver afwegen.” (Exodus 22:16-17). Verder werden er, als dank voor het aanvaarden van het huwelijksaanzoek, geschenken aan het meisje en haar familie gegeven.3 Deze huwelijksgift wordt duidelijk onderscheiden van de bruidsprijs: “Al maakt gij mij de bruidsprijs en huwelijksgift nog zo hoog, ik zal geven wat gij mij zult zeggen, maar geeft mij het meisje tot vrouw.” (Genesis 34:12).4 De eigenlijke trouwplechtigheid bestond uit een bruiloftsfeest dat normaal zeven dagen duurde,5 maar het echtpaar bracht wel reeds de eerste nacht van het feest tezamen door: “Derhalve diende Jakob zeven jaren om Rachel, en die waren in zijn ogen als enkele dagen, omdat hij haar liefhad. Daarna zeide Jakob tot Laban: Geef mij mijn vrouw, want mijn tijd is om, opdat ik tot haar kome. En Laban vergaderde al de mannen van die plaats, en richtte een maaltijd aan. Des avonds echter nam hij zijn dochter Lea en bracht haar tot hem, en hij kwam tot haar.” (Genesis 29:20-23). Tot de eerste huwelijksnacht was de bruid gesluierd. Dit verklaart waarom Jakob het bedrog van zijn schoonvader pas merkte wanneer het al te laat was: “Maar des morgens, zie, het was Lea. Toen zeide hij tot Laban: Wat hebt gij mij daar gedaan- Heb ik niet om Rachel bij u gediend, waarom hebt gij mij dan bedrogen-” (Genesis 29:25). Als bewijs van de maagdelijkheid van de bruid werden de met bloed besmeurde lakens van het bruidsbed door de ouders van het meisje bewaard om die, als het nodig mocht blijken, als bewijs aan de oudsten van de stad voor te leggen.6

In grote lijnen zouden we het huwelijk in Israël als volgt kunnen voorstellen:

Geen religieuze ceremonie…

We hebben gezien dat God Zelf als partner in het huwelijkscontract voorop gesteld wordt, maar toch vinden we in het ceremoniële gedeelte van de huwelijksvoltrekking geen religieuze handelingen. Het is interessant om daarbij op te merken dat, bijvoorbeeld bij de geboorte van een kind, wel religieuze handelingen gesteld moesten worden.7 In Israël was de voltrekking van een huwelijk duidelijk een burgerlijke en geen religieuze zaak.

Door het bruiloftsfeest, waarop iedereen die wat met het bruidspaar te maken had, uitgenodigd werd, was het dan ook voor de hele gemeenschap duidelijk: deze twee hebben zich voor het leven aan elkaar verbonden. We weten uit geschriften van de vijfde eeuw voor Christus dat het huwelijkscontract bij de Joden vaak schriftelijk werd vastgelegd.8 Ook het apocriefe boek Tobias maakt melding van een dergelijk “burgerlijk” huwelijk met een geschreven contract: “Toen riep hij zijn dochter Sara, nam haar bij de hand en gaf haar aan Tobias tot vrouw met de woorden: Hier is mijn dochter, neem haar volgens de wet van Mozes tot vrouw en ga met haar naar je vader. En hij zegende hen. En nadat hij ook zijn vrouw Edna erbij geroepen had, nam hij een blad papier en maakte de huwelijksovereenkomst op, die zij met hun zegel bekrachtigden. Toen begonnen ze aan de maaltijd.”9

… maar wel een burgerlijk huwelijk.

In de tweede plaats doet gij dit: gij bedekt met tranen het altaar des Heren, onder geween en gezucht, omdat Hij zich niet meer tot het offer wendt, noch het uit uw hand aanneemt als welgevallig. En dan zegt gij: Waarom- Omdat de Here getuige geweest is tussen u en de vrouw uwer jeugd, aan wie gij ontrouw geworden zijt, terwijl zij toch uw gezellin en uw wettige vrouw10 is.” (Maleachi 2:13-14).

In dit bijbelgedeelte zien we dat de relatie met de Heer onder druk gezet wordt door het niet in acht nemen van de huwelijkstrouw. De reden is tweevoudig: enerzijds is de Heer Zelf getuige van het huwelijk, en anderzijds is de partner tegelijk gezellin en wettige vrouw. In dit gedeelte wordt er dus van uitgegaan dat de huwelijkspartner niet enkel een gezellin is, maar dat er tegelijk ook sprake is van een juridisch contract waar God Zelf aanspraak op maakt als het fout gaat in de huwelijksrelatie.

Dat het huwelijk in Israël in eerste instantie een sociale en een juridische zaak was, wordt verder mooi geïllustreerd door de geschiedenis van Ruth en Boaz. Ruth legt zich, op aanraden van haar schoonmoeder Naomi, ongemerkt op de dorsvloer aan de voeten van Boaz neer, in de hoop dat deze haar als losser tot vrouw zal nemen. Het is interessant om het verdere verloop van deze zeer bijzondere situatie te zien: “Het gebeurde nu te middernacht dat de man wakker schrok en om zich heen greep en zie, daar lag een vrouw aan zijn voeteneind.” (Ruth 3:8). In plaats van op de toch wel zeer directe uitnodiging van Ruth in te gaan en Ruth tot vrouw te nemen, zegt Boaz: “Nu dan, weliswaar ben ik losser, maar er is nog een losser, nader dan ik.” (Ruth 3:12).

De volgende ochtend begeeft Boaz zich dan naar de poort van de stad, roept tien van de oudsten bij zich, en regelt daar dan officieel, voor de burgerlijke en juridische instanties de zaak van het losserschap met de eerste losser in lijn. Pas daarna, als alles officieel geregeld is, neemt hij Ruth tot vrouw.

Dit burgerlijke en juridische aspect van het huwelijk wordt ook nog geïllustreerd door het feit dat men zich bij geschillen eerder tot de burgerlijke dan de geestelijke instanties wendde. Als een man zijn vrouw na het huwelijk in opspraak bracht door te stellen dat ze geen maagd meer was toen hij haar als bruid nam, “dan zullen de vader en de moeder van het meisje de bewijzen van de maagdelijkheid van het meisje nemen en tot de oudsten van de stad, naar de poort, brengen.” (Deuteronomium 22:13). In dit gedeelte zien we nogmaals dat het huwelijk gedragen werd door een contract dat voor de burgerlijke overheid gesloten werd.

Wanneer trouwen we dan vandaag?

Verlaten, aanhangen en tot één vlees worden wordt ons in de Bijbel gepresenteerd als een contract met drie partijen. De bruidegom, de bruid en God Zelf verbinden zich in een contract dat gesloten wordt met de hele gemeenschap als getuige. Het is een publieke zaak waar iedereen in de gemeenschap bij betrokken hoort te worden.

Ook voor ons, vandaag nog, is een burgerlijk contract de enige manier waarop aan een dergelijke inhoud ceremonieel vorm gegeven kan worden. Een contract met getuigen die optreden als vertegenwoordigers van de gemeenschap is de enige wettige manier die openbare geldigheid aan de gesloten huwelijksovereenkomst verleent.

Het is triest om daarbij te moeten vaststellen dat de wetgever de inhoud van het huwelijk steeds meer uitholt: niet alleen wordt echtscheiding steeds gemakkelijker gemaakt, maar ook de inhoud van de trouwbeloften wordt steeds meer afgezwakt. Toch zijn de beloften die het jonge stel aflegt voor de ambtenaar van de burgerlijke stand, bindend. Een burgerlijk contract met getuigen is immers in onze maatschappij nog steeds de enig aangewezen manier om de gemeenschap in kennis te stellen van een overeenkomst die ook hun aangaat.

Man en vrouw trouwen door hun “Ja”-woord op het stadhuis. Deze belofte van trouw bindt hen samen voor het leven. Het is de enige ceremonie die binnen onze cultuur vorm kan geven aan hun beslissing om te verlaten, aan te hangen en tot één vlees te zijn.

Wat is dan de plaats van het kerkelijk huwelijk?

Betekent dit alles dat het kerkelijk huwelijk dan geen zinvolle ceremonie is- Zeer zeker niet! Alleen is het kerkelijk huwelijk geen “huwelijk” in de strikte zin van het woord, omdat het bruidspaar reeds eerder op het stadhuis getrouwd is. Hoe zou het dan nog een keer kunnen trouwen in de kerk-

Steeds meer bruidsparen kiezen ervoor om de beloften die op het stadhuis zijn gedaan, in de kerk niet te herhalen, maar om er een aantal beloften aan toe te voegen. Het gewoon herhalen van de beloften van de burgerlijke trouw zou immers kunnen suggereren dat beloften afgelegd op het stadhuis voor God minder bindend zijn dan beloften afgelegd in de kerk. Dat zou dan tegelijk echter ook betekenen dat ik als christen het burgerlijk contract om mijn auto of mijn huis af te betalen, ook niet zo nauw moet nemen…-

In de kerk worden, nu met de gemeente als getuige, een aantal beloften toegevoegd aan de toch wel minimale beloften op het stadhuis. Op het stadhuis heeft het jonge stel elkaar immers “alleen maar” beloofd om de ander tot man of vrouw te nemen. Het is zinvol dat het jonge stel elkaar in de gemeente belooft dat, wat ook de omstandigheden van de toekomst mogen zijn, deze verbintenis voor het leven is, dat ze elkaar zullen liefhebben en behandelen zoals het een christen man of vrouw betaamt en dat ze, zo de Heer hun kinderen wil geven, deze in de kennis en wijsheid des Heren zullen opvoeden.

Door de gemeente bij het uitwisselen van deze beloften als getuige te betrekken, nodigt het nieuwe echtpaar de gemeente tegelijk ook uit om toezicht te houden op de naleving van hun beloften, en om hun er op aan te spreken mocht het in de toekomst fout gaan. Als een jong stel mij vraagt om, als vertegenwoordiger van de gemeente, hun trouwbeloften in ontvangst te nemen, beschouw ik dat als een hele eer. Tegelijk wijs ik hen er op dat ik me daardoor ook een beetje verantwoordelijk voor hen ga voelen, en me het recht voorbehoud om hen aan te spreken als ik denk dat het nodig is. Daartegenover staat natuurlijk ook dat zij mij kunnen aanspreken op ieder moment dat zij de nood daartoe ervaren.

We zouden dus het huwelijk vandaag als volgt schematisch kunnen voorstellen:

 INSTITUUT  CEREMONIE
 Verlaten
Aanhangen
Tot één vlees
 Stadhuis
Beloften en getuigen
Kerkdienst en bijkomende beloften


Doe het één en laat het ander niet na!

Samenvattend kunnen we stellen dat, hoewel de huwelijksceremonie kan verschillen in andere culturen, bij ons het burgerlijk huwelijk nog steeds onmisbaar is om in een geschikte ceremonie voor het instituut van het huwelijk te voorzien. Er is immers geen andere ceremonie die even goed vorm geeft aan het idee van een maatschappelijk en een bindend contract.

We moeten echter ook erkennen dat de maatschappelijke betekenis van deze ceremonie in sneltreinvaart uitgehold wordt, en grote nood heeft aan ondersteuning van de kerkelijke ceremonie.

EINDNOTEN

  1. Of: “ondertrouw”
  2. De Vaux berekent dat koning Jojakin trouwde toen hij zestien was, en dat koning Amon en koning Josia slechts veertien waren toen ze in het huwelijk traden. Hij merkt op dat de rabbijnen later de minimum leeftijd waarop jongens konden trouwen, vastlegden op dertien jaar, en die voor meisjes op twaalf jaar.
    Zie: DE VAUX, Roland, Ancient Israel. Its Life and Institutions, Darton, Longman & Todd (London, 1978), p. 29.
  3. Zie Genesis 24:53
  4. DE VAUX, Roland, Op.cit., Darton, Longman & Todd (London, 1978), p.27.
  5. Zie Genesis 29:27 en Richteren 14:12
  6. Zie Deuteronomium 22:13-21
  7. Zie: Leviticus 12:1-8
  8. DE VAUX, Roland, Op.cit., Darton, Longman & Todd (London, 1978), p.33.
  9. Tobit 7:13-14 (Groot Nieuws Bijbel met deuterokanonieke boeken, Katholieke Bijbelstichting Boxtel, 1983)
  10. Of: “de vrouw van uw contract, van uw verbond”.