Het zondeprobleem als kamerolifant

A A A

Als er een duidelijk aanwezig probleem is, maar iedereen zwijgt erover, wordt het probleem ‘de olifant in de kamer’ genoemd. De metafoor spreekt niet voor niets van een probleem van het formaat olifant in de ruimte van een kamer. Hij valt niet te negeren, niet te ontkennen en niet over het hoofd te zien. Hij blokkeert alles. Je kunt niets meer beginnen in die kamer als je niet eerst die olifant uit de weg ruimt. En toch manoeuvreert iedereen krampachtig om het dier heen en doet net of hij er niet is. Dat kan alleen maar leiden tot frustratie en problemen.

Wij kennen zo’n kamerolifant. We komen hem regelmatig tegen als we kerken begeleiden of trainen in het jeugdpastoraat. Wij noemen deze kamerolifant ‘het zondeprobleem’. De kern van het evangelie is dat alle mensen zondaren zijn, maar gerechtvaardigd worden door het geloof in Jezus Christus, de Verlosser. Door Zijn dood en opstanding worden wij verzoend met God en in staat gesteld om met Gods hulp de zonde te weerstaan (o.a. 1 Joh. 1:8-2:6). Zonde brengt scheiding tussen God en mens en brengt schade, schuld, ellende en uiteindelijk zelfs de dood. Daarom is het cruciaal om te weten wat zonde is, om zonde te herkennen, zeker in het jeugdpastoraat. Dat kinderen en jongeren komen tot bekering, tot vergeving en herstel. In onze tijd lijkt het echter steeds moeilijker te worden om over zonde te spreken. Laat staan om zonde te benoemen. Maar als we hierover zwijgen, wordt het een kamerolifant die voor vreemde, krampachtige situaties zorgt waarin mensen vastlopen.

Conflict met de wereld
We leven in een cultuur die vrijheid gelijkstelt aan grenzeloosheid. Basisregels waar kinderen en jongeren mee opgroeien zijn bijvoorbeeld: ‘Doe waar jij je goed bij voelt’ en ‘Wees jezelf’. Het jezelf zijn wordt steeds belangrijker, waarbij anderen je vooral niet mogen beperken in je wensen. Dit veroorzaakt enorme problemen in de identiteitsontwikkeling, maar daar gaan we in dit artikel niet verder op in. Wat we allemaal merken, is dat de botsing tussen wat God zegt en wat de wereld zegt, steeds zichtbaarder wordt. De Bijbel spreekt er voortdurend over: “vriendschap met de wereld is vijandschap met God” (Jak. 4:4), “omdat u niet van de wereld bent, haat de wereld u” (Joh. 15:19), “als ze Mij vervolgd hebben, zullen zij ook u vervolgen” (1 Joh. 5:3), et cetera. “Want dit is de liefde tot God, dat wij Zijn geboden in acht nemen, en Zijn geboden zijn geen zware last” (1 Joh. 5:3). Zolang wij alles goed vinden wat iedereen doet, en meegaan in de dwaling dat ieder voor zichzelf kan bepalen wat goed is en wat niet, komen we niet in conflict met anderen. Maar wanneer we het zondeprobleem op tafel leggen, wanneer we de olifant gaan benoemen, dan verandert de kamer regelmatig ter plekke in een strijdtoneel.

Paulus waarschuwt Timotheüs over wat er in de laatste dagen zal gebeuren (2 Tim. 3:1-5 en 4:1-5). Hij zegt onder andere: “Want er zal een tijd komen dat zij de gezonde leer niet zullen verdragen, maar dat zij zullen zoeken wat het gehoor streelt, en voor zichzelf leraars zullen verzamelen overeenkomstig hun eigen begeerten (2 Tim. 4:3). Dit betekent dat we niet alleen in conflict met de wereld buiten zullen komen. Binnen de kerk zullen er mensen zijn die proberen Gods Woord te verdraaien, die proberen om hun eigen begeerten goed te praten en leraars zoeken die hen daarin bevestigen. En die leraars zullen er dus ook zijn. Dat maakt het met name verwarrend voor kinderen en jongeren. Wie heeft er gelijk? Wie legt de Bijbel correct uit? Voor hen zijn duidelijkheid en betrouwbaarheid belangrijk. Deze zullen we hen dus moeten bieden en hen moeten toerusten om te toetsen en te onderscheiden.

Zwijgen is geen liefde
Zonde benoemen lijkt hard. Het lijkt alsof we met een opgeheven vingertje de ander veroordelen. En zo komt het soms ook over. Maar zonde benoemen is de weg vrijmaken tot vergeving en tot herstel. Het maakt natuurlijk uit hóe we de zonde benoemen en hóe we het gesprek aangaan. Maar dát we het benoemen en dát we het gesprek aangaan, is juist liefde. Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament roept God ons op om elkaar te onderwijzen en om elkaar terecht te wijzen als we zien dat de ander zondigt (Lev. 19:17, Ez. 3:17-21, Luk. 17:3, 1 Joh. 5:16, Matth. 18:15-17). Als God Ezechiël opdraagt om wachter te zijn over Israël (Ez. 3:17-21), dan zien we dat het gevolgen voor Ezechiël zelf heeft wat hij doet als hij weet dat een ander zondigt. Spreekt hij de ander aan, dan krijgt diegene de kans om zich te bekeren en gered te worden. Gaat de ander door in zijn zonde, dan is Ezechiël daarin vrij van schuld. Maar zwijgt Ezechiël, dan wordt hij door God mede verantwoordelijk gehouden voor de zonde van de ander. In Leviticus 19:17 staat: “U moet uw naaste zeker terechtwijzen, zodat u geen zonde op hem laadt.”

Wanneer wij zwijgen en de ander in zijn zonde laten, dan onthouden we hem de kans op bekering, op redding en op herstel. Dat is dus geen liefde! Als mensen in hun zonde blijven, heeft niet alleen gevolgen voor henzelf, maar ook voor de mensen dichtbij hen: in de eerste plaats voor hun partner en kinderen. Anderen liefhebben betekent niet alleen maar lief en aardig zijn en zorgen dat niemand zich gekwetst voelt of boos wordt. De ander liefhebben betekent dat je die ander het beste gunt. Ook als dat betekent dat die ander jou niet meer aardig vindt, boos op je wordt of je misschien zelfs zal haten of vervolgen.

Het zondeprobleem confronteert ons met wat we ten diepste het belangrijkste vinden: de redding en het welbevinden van de ander, of ons eigen comfort? En met wiens mening het zwaarst voor ons weegt: wat God vindt of wat andere mensen vinden?

De ene zonde is de andere niet
Zonde is zonde. Elke ongerechtigheid is zonde (1 Joh. 5:17). Maar niet alle zonden zijn gelijk. De ene zonde weegt zwaarder dan de ander. De ene zonde heeft ook grotere gevolgen dan de ander. Er is een verschil tussen het plegen van moord en een leugentje om bestwil, al zijn beide zonde. In Leviticus lezen we dat mensen voor de ene zonde een offer konden brengen, maar op andere zonden stond de doodstraf. Ook al zijn er dus verschillen, het probleem met de zonde blijft staan. Geen enkele zonde is onschuldig. Elke zonde is kwaad. Voor elke zonde is vergeving nodig. Maar omdat niet elke zonde gelijk is in ernst en consequenties, kan het gebeuren dat wij van sommige zonden de ernst niet meer erkennen. We kunnen begrip opbrengen voor degene die de zonde heeft begaan. We kunnen soms zelfs goedkeuring geven aan de zonde die is begaan. En het kan zelfs zo ver komen dat we het niet langer als zonde gaan beschouwen.

Wanneer we zonden niet langer zonde noemen, hebben we een zeer ernstig probleem. In de eerste plaats verloochenen we God daarmee. Hij zegt daarover: “Wee hun die het kwade goed noemen en het goede kwaad; die duisternis voorstellen als licht, en licht als duisternis; die bitter voorstellen als zoet en zoet als bitter” (Jes. 5:20). Het probleem wordt vanzelf groter. Wat als er een punt komt waarop je wél constateert: Dit kan ik echt niet oké vinden, dit is zonde? Als je dán de confrontatie aangaat, zit je in een onmogelijke positie. Dan pik je als het ware deze zonde uit boven de andere. Dit is Bijbels gezien niet te onderbouwen en zorgt voor veel discussie, verwarring en verdeeldheid. Bovendien zet je deze persoon in een andere positie dan de andere kerkleden wanneer je zijn gedrag wel als zondig benoemt, maar alle andere zonden onbesproken laat. Dat is onrechtvaardig en brengt scheiding. Kinderen en jongeren voelen onrecht haarfijn aan.

We kunnen het zondeprobleem alleen aanpakken door het zuiver en recht aan te pakken. We zijn allen zondaren en hebben allemaal Gods genade nodig (Rom. 3:23-24). We hebben het allemaal nodig om niet alleen hoorders te zijn, maar ook daders van het Woord (Jak. 1:22). Om Gods geboden in acht te nemen en God gehoorzaam te zijn (Joh. 15:14, Matth. 8:19, Joh. 14:21, 1 Joh. 3:24, 1 Petr. 1:22). Dat mag met vallen en opstaan, maar dat is wel waartoe we geroepen zijn. Dit vormt de basis van waaruit we binnen de kerk met elkaar mogen omgaan: de ander toestaan om jou aan te spreken en zelf de vrijmoedigheid hebben om de ander aan te spreken. Daarbij mag de ene zonde een zwaarder gewicht hebben dan de andere, maar geen enkele zonde mag onschuldig geacht worden. Zodat we allemaal rein en stralend als bruid voor Christus klaar staan als Hij komt.

Bespreekbaar maken
We kunnen dus niet anders dan de kamerolifant bespreekbaar maken wanneer hij zich voordoet. De kans bestaat dat de ander zich persoonlijk gekwetst voelt wanneer we benoemen dat we bepaald gedrag beschouwen als zonde. Sterker nog: wanneer we benoemen dat Gód bepaald gedrag beschouwt als zonde. Ook al kun je niet voorkomen dat iemand zich gekwetst voelt, we kunnen de kans wel kleiner maken. God vraagt van ons ook om zorgvuldig en met wijsheid te handelen.

We mogen zonde wel benoemen als zonde, maar we mogen niet met stenen gooien (Joh. 8:3-11). We mogen de ander niet veroordelen. We mogen niet roddelen, niet kwaadspreken of lasteren. Jezus zegt dat we in de eerste plaats één op één met de ander in gesprek moeten gaan. God roept de herders op om hun schapen goed te kennen (Spr. 27:23). Wanneer er een relatie is, een connectie over en weer, is het makkelijker om iemand aan te spreken. Natuurlijk moeten we dan wel zeker weten dat het om zonde gaat. Het kan nodig zijn om zelf eerst nog Gods Woord te bestuderen. En het is belangrijk om geen voorbarige conclusies te trekken. Zowel in het Oude als het Nieuwe Testament wordt bepaald dat hoor en wederhoor toegepast moet worden en dat een zaak goed onderzocht moet worden. Belangrijk is niet alleen wát iemand doet, maar ook waaróm iemand dat doet. In Johannes 1 staat over Jezus dat Hij is gekomen, vol van genade en waarheid (Joh. 1:14). Die beide hebben we nodig als we dit soort trajecten met tieners en jongeren willen gaan.

Het is Gods Geest die overtuigt van zonde, van gerechtigheid en van oordeel. De Geest van de Waarheid. De Trooster (Joh. 16:7-15). Wij kunnen deze gesprekken niet voeren in eigen kracht en wijsheid, maar onder leiding van God Zelf. Gebed is daarom onmisbaar; de afstemming met God zoeken en Hem om leiding vragen. Het doel is niet dat we gelijk krijgen of de ander zich schuldig laten voelen. Het doel is de liefde voor de ander: hem behoeden voor de verkeerde weg en hem tot inkeer en tot herstel te brengen. “Hierin zullen allen inzien dat u Mijn discipelen bent: als u liefde onder elkaar hebt” (Joh. 13:35).

Ruimte voor vragen en maatwerk
Het erkennen van zonde als zonde is al een grote stap. Maar daarna volgt soms een nog veel moeilijker traject. Want als God die zonde niet goed vindt, wat vraagt Hij dan wel van iemand? En wat zijn de consequenties van het volgen van de weg die God wijst? Dat is niet altijd een gemakkelijke weg, en soms zelfs een hele moeilijke. Het is logisch dat mensen, ook tieners en jongeren, daarmee worstelen en er vragen over stellen. Dat ze af en toe verward zijn en er allerlei gedachten en gevoelens over elkaar heen tuimelen. Daar mag ruimte voor zijn. De Psalmen en Klaagliederen laten dat in de Bijbel zo puur zien. Alleen al het feit dat er ruimte is voor hun vragen en worstelingen, maakt voor kinderen en jongeren vaak al een groot verschil.

Soms zijn situaties dermate complex, dat er niet een simpel antwoord of een simpele oplossing voor is. Laten we dan niet als een olifant door de porseleinkast denderen en maar een knoop doorhakken met de botte bijl. Maar laten we dan samen met de ander en eventueel samen met de leiding van de gemeente, God zoeken en Hem vragen om Zijn wil kenbaar te maken.

[In ons volgende artikel bespreken we praktisch hoe je in gesprek met kinderen en jongeren kunt gaan over zonde.]