Een woning in de hemel: hoop in beroerde tijden

A A A

Een woning in de hemel is geen zoethouder waar je niets aan hebt, maar een zekere hoop, die een riem onder het hart is in beroerde tijden!

1  Laat uw hart niet in beroering raken; u gelooft in God, geloof ook in Mij. (Joh. 14)

Heb je wel eens een dag dat alles mis loopt. Er gebeuren ontredderende dingen. Verwachtingen komen niet uit en zelfs je hoop op God kan stukgeslagen worden.

Jezus spreekt deze woorden tot zijn discipelen na een reeks pijnlijke incidenten. Er was vóór de maaltijd geen slaaf om de voeten te wassen. Niemand nam initiatief en Jezus, de Meester, wast hun voeten. Dan spreekt Hij over het verraad van Judas. Hij voorzegt de lafheid van Petrus. En Hij geeft aan dat Hij weggaat naar waar zij niet kunnen komen.
De ontreddering is compleet, hun hart ontroerd, vertwijfeld, bang. De discipelen hadden alles achtergelaten om Jezus te volgen, maar hun droom valt in duigen. Het kan ook jou overkomen. Je hebt alles gegeven wat je had en naar best vermogen Jezus gevolgd, maar je loopt vast.

De redenen van de ontreddering van de discipelen zijn één voor één voldoende om het oordeel van Jezus over zich te halen. Ze zijn helemaal in beslag genomen door het behoud van hun eigen positie, ten koste van de liefde voor elkaar en voor Jezus. Ze laten Hem in de steek. Maar Jezus komt niet met veroordeling. Hij komt met “Laat uw hart niet in beroering raken.” Hij komt met diepe bewogenheid tegemoet aan de nood van de discipelen.

Veel dingen lopen anders dan gedacht. Op een dag vol van moeite en verdriet zijn er onbeantwoorde vragen. Ontreddering past meestal niet in ons plaatje van een gelukkig christenleven. Maar de voorwaarde om een plaats te bereiden is Zijn heengaan. Ontreddering is deel van deze gebroken schepping. God werkt door ontreddering heen!
Op zo’n moment heb je de woorden van de Here Jezus nodig: “Laat je hart niet in beroering raken” en “Geloof in Mij”. Hij weet waar hij het over heeft, want Hij was Zelf in beroering n.a.v. het verdriet van Maria en de Joden na het overlijden van Lazarus (Joh. 11:33), bij het verraad van Judas (Joh. 13:21) en in het zicht van Zijn uur: “Nu is Mijn ziel in beroering en wat zal ik zeggen? Vader, verlos Mij uit dit uur! Maar hierom ben ik in de wereld gekomen. Vader verheerlijk Uw Naam…” (Joh. 12:27-28).

Jezus wist uit eigen ervaring wat beroering was. Maar Hij wist ook dat de verheerlijking van de Vader de weg was die in beroering bewandeld moet worden! Zijn focus was op de verheerlijking van de Vader, niet op Zijn nood. Jezus doet een fantastische uitnodiging voor ieder die in beroering is: “geloof in God” (de HSV vertaalt met: “u gelooft in God”. Het werkwoord is een imperatief die het best vertaald wordt als: “blijf in God geloven”) en “geloof in Mij”. Blijf in Hem geloven, ook als je ziet dat er dingen gebeuren waarvan je dacht dat de Messias die nooit zou toelaten.” Blijf tegen alles in hopend geloven zoals Abraham geloofde (zie Rom. 4:18).

2  In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen; als dat niet zo was, zou Ik het u gezegd hebben. Ik ga heen om een plaats voor u gereed te maken.
3  En als Ik heengegaan ben en plaats voor u gereedgemaakt heb, kom Ik terug en zal u tot Mij nemen, opdat ook u zult zijn waar Ik ben.

Er is een lied dat zegt: “Er is een stad met gouden straten vol van Jezus’ heerlijkheid”. Als je in die stad wordt uitgenodigd heeft het alleen maar zin als Degene die je uitnodigt ook in staat is om je daar te brengen. Het huis van de Vader, een plaats waar je verbonden bent met God, waar alle tranen van je ogen worden afgewist en je echt leeft zoals je bedoeld bent om te leven, is een mooie belofte. Maar als niemand je daar brengt, dan heb je er niets aan. Maar voor jou is de zekere toekomst deze: Hij komt terug en Hij zal je tot Hem nemen. Hij kan jou daar brengen en zal dat ook doen. Blijf geloven!

Geloof is niet louter dat je het theologisch eens bent met wat God belooft. Geloof is Hem liefhebbend vertrouwen. Geloof leunt op de Gever van de belofte en bewaart Zijn Woord (vers 15 e.v.). Dat is je hechten aan Hem en handelen overeenkomstig Zijn richtlijnen. Dan komen Hij en de Vader bij jou intrek nemen (vs. 23).

Jezus’ belofte is eeuwig leven met de Vader, samen met velen die daar ook zullen wonen. Denk aan de belofte aan Abraham: een nageslacht ontelbaar als de sterren aan de hemel of de korrels van het zand. Daar zijn heel veel woningen voor nodig! God heeft iets met wonen (vs. 23). Je zal verblijven in het huis waar de Heere woont (Ps. 23), in de stad van de levende God, het nieuwe Jeruzalem (Hebr. 12:22) dat uit de hemel neerdaalt (Openb. 21:9 – 22:5), een huis niet met handen gemaakt, maar eeuwig in de hemelen (2 Kor. 5:1-3), een stad waarvan de Naam is “De Heere is daar” (Ez. 48:35). Thuis is in de tegenwoordigheid van God! Thuis is in de eenheid van Vader, Zoon en Geest.

4  En waar Ik heen ga, weet u, en de weg weet u.
5  Thomas zei tegen Hem: Heere, wij weten niet waar U heen gaat, en hoe kunnen wij de weg weten?

Waar gaat Jezus heen? Naar de Vader! Dat heeft Hij pas gezegd! Dat Thomas niet weet waar Hij heengaat is onbegrijpelijk! Jezus heeft discipelen die horen, maar niet verstaan…
Reeds eerder zei Simon Petrus tegen Hem (Joh. 13:36): “Heere, waar gaat U heen? Jezus antwoordde hem: Waar Ik heen ga, kunt u Mij nu niet volgen, maar u zult Mij later volgen.”
‘Niet weten’ is ook ‘niet begrijpen’. De discipelen hebben een totaal ander beeld van de Messias, hun Koning die Jeruzalem binnengaat en regeert. Dat Hij sterft en weggaat past niet in hun denken. Toch is het Zijn sterven en hemelvaart die maken en bewijzen dat Hij de Weg is.

6  Jezus zei tegen hem: Ik ben de Weg, de Waarheid en het Leven. Niemand komt tot de Vader dan door Mij.

Geen mens is de weg. Je kunt jezelf geen weg bereiden. Je kunt niet tot God opklimmen door goede werken. En geen mens kan voor jou de weg zijn. Er is maar één exclusieve deur tot de schaapstal: Jezus. Tolerantie voor vele wegen is geestelijk een doodlopende straat. Hij is de enige Middelaar tussen God en mensen (1 Tim. 2:5). Dat Hij de Weg is, is niet alleen van belang voor de goddeloze de zich bekeert, maar ook voor de gelovige die mag leren om dagelijks door Hem te leven! De Weg is Christus en Die gekruisigd. Er is geen andere weg.

Geen mens is de Waarheid. Het is niet moeilijk om in je omgeving iemand te vinden, een vader, een moeder, een voorganger, iemand die beweert christen te zijn, die vol is van de uitleg van de waarheid, maar die geen waarachtig leven leidt. Onwaarachtigheid van mensen leidt ons vaak weg van God. Onze postmoderne tijd bestrijd ook waarheid. Maar Jezus is de Waarheid. Hij openbaart de werkelijkheid van de Vader door Zijn leer en Zijn leven.

Geen mens is het Leven. We staan allemaal voor onze eigen dood en in de tussentijd zoeken velen leven in van alles en nog wat. We vullen het lege hart al te vaak met tijdelijke dingen die altijd weer tekortschieten. We hebben het leven niet in onszelf. Wij zijn verdorde beenderen die tot stof vergaan. Maar Jezus is het pad naar het Leven (Ps. 16; Joh. 1:4). Via Hem kan je bij de Vader terecht en kan je nu in Zijn tegenwoordigheid leven.

Hoe belangrijk zijn dan de woorden van Jezus die zegt: “Ik Ben.” Ze zijn een echo van de Heere Die spreekt tot Mozes wanneer deze de vraag stelt: “Wat moet ik zeggen wie mij heeft gezonden”. En God antwoord zeg maar: “IK BEN heeft mij tot u gezonden” (Ex. 3:14). Jezus had Zich zo al genoemd toen Hij zei: “Eer Abraham was, Ik ben”. (Joh. 8:58). Hij zal IK BEN ook herhalen wanneer de soldaten Hem gevangen willen nemen en ze allen terugdeinzend op de grond vallen. (Joh. 18:5). IK BEN: het Brood des levens (Joh. 6:35), het Licht der wereld (Joh. 8:12; 9:5), de Deur voor de schapen (Joh. 10:7, 9), de goede Herder (Joh. 10:11, 14), de Opstanding en het Leven (Joh. 11:25), de ware Wijnstok (Joh. 15:1). Het komt er in beroerde tijden op aan dat we een beeld krijgen van wie Hij is. Hij garandeert een woning bij de Vader! Hij en de Vader zijn één!

7  Als u Mij gekend had, zou u ook Mijn Vader gekend hebben; en van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.

“Niemand heeft ooit God gezien; de eniggeboren Zoon,  Die in de schoot van de Vader is, Die heeft Hem ons verklaard” (Joh. 1:18). Wat een bevestiging: “van nu af kent u Hem en hebt u Hem gezien.” Wat een fantastisch iets zegt Jezus over Zichzelf. Wie Hem ziet, ziet de Vader!

Hebben de discipelen het begrepen? Helaas niet. Zo ook wij…?

 8  Filippus zei tegen Hem: Heere, laat ons de Vader zien en het is ons genoeg.
 9  Jezus zei tegen hem: Ben Ik zo’n lange tijd bij u, en kent u Mij niet, Filippus? Wie Mij gezien heeft,
heeft de Vader gezien; en hoe kunt u dan zeggen: Laat ons de Vader zien?

10 Gelooft u niet dat Ik in de Vader ben en de Vader in Mij is? De woorden die Ik tot u spreek, spreek
Ik niet uit Mijzelf, maar de Vader, Die in Mij blijft, Die doet de werken.

Petrus is overmoedig. Thomas weet niet waar Jezus heengaat. Filippus ziet de Vader niet. Op het moment dat ze in de hof van Getsemane de ernst van de werkelijkheid zouden moeten zien en bidden, vallen ze in slaap en uiteindelijk vluchten ze in paniek. Ze slagen er niet in de glorie van de Vader te zien in de Here Jezus. Ze hebben het perfecte voorbeeld gehad van Gods Zoon en toch hadden ze niet het inzicht wat ze nodig hadden. Ze hadden de meest schitterende openbaring van de Vader in hun midden, maar hebben het niet begrepen. Ze hebben ontvangen waar Mozes om vroeg (Ex. 33:18-23) en mogen  Gods heerlijkheid zien zonder te sterven. En toch zien ze het niet.

Het overkomt ook jou: “Ja, maar,  ik begrijp het niet; ja, maar ik wil meer zien; ja, maar… mijn vader, mijn moeder, mijn man, mijn vrouw, mijn kinderen, mijn ziekte; ja, maar, ik ben te jong, ik ben te oud, ik kan niet wat God vraagt,…”

In de ontreddering zijn de discipelen alleen met zichzelf bezig. Zij zien alleen hun verlies. Ze zijn niet van kwade wil. Ze zijn zelfingenomen met hun eigen nood. Ze hebben een gezichtsvernauwing. Ze onderscheiden niet meer wie Jezus is omdat hun eigen nood, verdriet, angst, onbegrip en ontreddering het hele scherm van hun blikveld vult. Wat ze nodig hebben is een hart dat Jezus kan zien.

Er is een woning, een plaats om thuis te zijn, beveiligd tegen alle onheil en vol van de tegenwoordigheid van de Vader. Jezus weet dat Zijn discipelen moeilijke tijden te wachten staan. Hij weet van de steniging van Stefanus en de zweepslagen en de schipbreuken van Paulus. Hij weet van de leeuwen in de Romeinse arena’s. Hij weet van de brandstapels van de Inquisitie. Hij weet  van de gevangenissen in Rusland en de werkkampen in Siberië. Hij weet van de martelingen en de onthoofdingen door IS. Hij weet van Zijn gevangenneming en van de ontredderde vlucht van Zijn discipelen. Hij weet dat jij deelt in Zijn lijden.

De troost die Hij geeft is: “In het huis van Mijn Vader zijn veel woningen.” De troost is een thuis in de woning die Adam en Eva verloren hebben. De troost is dat er geen engelen met vlammende zwaarden staan om je tegen te houden. De troost is dat Jezus de weg is die je door elk dal van diepe duisternis beveiligt en behouden aan doet komen in het huis van de Vader. De troost is een thuis waar je helemaal op adem kunt komen en jezelf kunt zijn.

Je diepste verlangen wordt niet vervuld door mensen of dingen op aarde. Je diepste verlangen wordt helemaal vervuld in het huis van de Vader. Deze gebroken wereld is niet onze thuis. Geld, kleding of voeding zal je begeerte niet vullen. Zelfs onze beste relaties of een fantastisch huwelijk kunnen de diepste nood van je hart niet vervullen. De vervulling ligt niet in schatten op aarde, maar in een woning in de hemel. Het is de woning van de Vader. Het is de plaats waar Jezus is. En… nevens u begeer ik niets op aarde… Hij is de vervulling van je hart.

Literatuur:
Carson, D. A. (1988). The Farewell Discourse and Final Prayer of Jesus: An Exposition of John 14–17 (p. 3). Grand Rapids, MI: Baker Book House.