Als kind al de baas van je eigen succes

A A A

In november van 2022 bleek uit een groot onderzoek dat 32% van de jongeren tussen de 12 en 25 jaar in Nederland last heeft van psychische klachten. Bijna 50% voelt zich vaak of zeer vaak gestrest door één of meerdere factoren. En 13% dacht aan zelfdoding.1 Op 1 december sloeg het Trimbos-instituut alarm vanwege de sterke toename van psychische klachten onder volwassenen. Uit hun onderzoek blijkt dat 26% van de volwassenen tussen 18-75 jaar het afgelopen jaar een psychische aandoening had.2 Dit gaat om 3,3 miljoen mensen. De grootste toename wordt gezien onder studenten en jongvolwassenen.

Deze cijfers laten zich niet negeren. We zien de afgelopen jaren mensen steeds jonger, steeds vaker en steeds ernstiger vastlopen. Er is iets erg mis in onze samenleving en dat heeft veel te maken met hoe we kijken naar wie we zijn als mens en wat de betekenis van ons leven hier op aarde is. In dit artikel willen we speciale aandacht richten op hoe we kinderen benaderen en wat we daarmee impliciet zeggen over wie ze zijn, wie ze zouden moeten zijn en wat ze zouden moeten doen. En hoe dit, als we niet waakzaam zijn, ongemerkt doorsijpelt in onze kerken en in onze geloofsopvoeding.

Het merk ‘IK’
Treffend is het dat ‘ik’ vaak het eerste woordje is dat kinderen op school leren lezen en schrijven. De focus ligt van jongs af aan op de optimale ontwikkeling van het ‘ik’. Vanaf het consultatiebureau tot ver in de schoolloopbaan wordt de ontwikkeling van het kind bijgehouden in grafieken en tabellen. Klassiek wordt deze vergeleken met de scores van de gemiddelde ontwikkeling, waarbij een acceptabele afwijkende marge wordt aangehouden, maar scores ‘buiten de lijn’ tot zorgen en hulppakketten leiden. De afgelopen jaren is in de samenleving het accent verschoven naar het ‘jezelf mogen zijn’ en niet te hoeven voldoen aan vooraf opgestelde hokjes en vakjes. Onderwijsinstellingen proberen zich te onderscheiden door te beweren dat je bij hen ‘echt jezelf mag zijn’, je er ‘alles uit jezelf kunt halen’ of er ‘de beste versie van jezelf kunt worden’.

Binnen het onderwijs en binnen de zorg wordt gekeken naar welke eigenschappen mee bouwen aan een gezonde ontwikkeling en welke er niet gewenst zijn. Eigenschappen die op dit moment als positief worden gewaardeerd zijn voor jezelf durven op komen, jezelf kunnen presenteren, zelfvertrouwen hebben en onafhankelijk zijn. Negatief worden eigenschappen beschouwd als je onzeker voelen, bescheiden zijn, anderen voor laten gaan, de minste (durven) zijn of je niet interesseren in je carrière.

Op sommige scholen voeren leerkrachten al doelgesprekken met kinderen als ze zes jaar zijn en vragen hen hierbij wat zij het komende jaar willen leren of bereiken. Als ze ouder worden, wordt het belang benadrukt van het kiezen van de juiste school en het juiste vakkenpakket en profiel. Er wordt al een begin gemaakt met het opbouwen van een CV, waarvoor een bijbaantje en nevenactiviteiten mee tellen. Bij de vervolgopleiding moet je je als student onderscheiden door bestuursfuncties, minors, keuzevakken en door het juiste netwerk op te bouwen.

Baas van je eigen succes
De verantwoordelijkheid voor een succesvol leven wordt hiermee al jong bij het kind zelf gelegd. Het kind wordt tot baas van zijn eigen succes gemaakt. En daarmee ook van zijn eigen falen. Want als het niet lukt, dan had hij misschien toch dat andere vak moeten volgen, een beter CV moeten opbouwen of zichzelf beter in de markt moeten zetten. Vergeten wordt dat faalervaringen goede leermomenten kunnen zijn en wilskracht en doorzettingsvermogen stimuleren. De eigen verantwoordelijkheid voor succes gaat verder dan alleen in de schoolloopbaan of op de arbeidsmarkt. Voelt een kind zich onzeker of wordt hij gepest? Dan is het belangrijk om een faalangsttraining of een weerbaarheidsprogramma te volgen. Ben je niet gelukkig? Dan moet je hulp zoeken om dit op te lossen.

Op zichzelf zijn dit geen verkeerde dingen, maar er zit een gevaar in wat betreft visie op identiteit en verantwoordelijkheid. Alsof kinderen en tieners zich altijd sterk, zelfverzekerd en gelukkig zouden moeten voelen en er iets mis met ze is als dat niet zo is. Alsof kinderen er zelf verantwoordelijk voor zijn als ze zich onzeker of verdrietig voelen of als ze worden gepest. Alsof zij daar zélf iets aan zouden moeten doen. Iemand noemde laatst deze benadering de moderne versie van kinderarbeid. We maken het kind de baas van zijn eigen succes. Maar wanneer een kind zijn eigen baas is, is hij ook zijn eigen knecht/slaaf. Wanneer hij vastloopt, heeft hij niemand anders om de schuld te geven of om boos op te zijn, dan zichzelf.

Haast ongemerkt verschuiven we de verantwoordelijkheid voor elkaar naar de verantwoordelijkheid van het individu op zichzelf. Dit zie je terug in de jeugdhulpverlening als we kijken naar hoe gedrag van kinderen wordt beoordeeld. Het handboek voor psychiatrie (DSM 5) hanteert per diagnose een lijst met symptomen (gedrag). Wordt een bepaald aantal symptomen uit de lijst waargenomen, dan leidt dat tot vaststelling van de diagnose. Er wordt hierbij echter weinig rekening gehouden met omstandigheden en ook niet met sterke eigenschappen of factoren die er wellicht óók zijn. Een kind dat zich in een onveilige thuissituatie bevindt, of waarvan het gezin door een diep verdriet heen gaat, kan in zijn gedrag van alles laten zien aan emoties en onrust. Het zijn de volwassenen die hierin het kind veiligheid moeten bieden in het eerste geval en in het tweede geval ruimte voor de emoties die bij rouw nu eenmaal verwerkt moeten worden. Emoties en onrust zijn in zo’n situatie volkomen adequaat gedrag. We zouden ons juist zorgen moeten maken wanneer kinderen niet van de leg zijn als ze rouwen, als ze dit gedrag niet laten zien.

God geeft waarde en betekenis
Waar ligt dan de oplossing? Wat kunnen we doen aan die explosieve toename aan psychische klachten? Al jarenlang wordt onderzocht welke factoren ervoor zorgen dat mensen zich gelukkig voelen en tot bloei komen. Op de lange termijn blijven er steeds maar twee factoren overeind. De eerste is een doel in je leven hebben: het gevoel hebben dat je leven ertoe doet en betekenis heeft. De tweede is sociale steun: tenminste één iemand hebben die er voor je is en waarvan je weet dat je op diegene terug kan vallen. Hoe bijzonder is dan het grote gebod: ‘U zult de Heere, uw God, liefhebben met heel uw hart, met heel uw ziel en met heel uw verstand. Dit is het eerste en het grote gebod. En het tweede, hieraan gelijk is: U zult uw naaste liefhebben als uzelf.’3 God is Degene die ons leven in Zijn hand houdt. Hij wijst de weg die we mogen gaan, Hij leidt ons als goede Herder langs de juiste wegen. Wij zijn onderweg om thuis te komen bij Hem. Hij is degene die ons leven betekenis geeft. Híj weet wie we zijn en wat we mogen doen, hoe Hij ons wil gebruiken in Zijn Koninkrijk. In Mattheüs 6 benoemt Jezus dat mensen zich zorgen kunnen maken over hun leven, eten, drinken, lichaam en kleding. Dan zegt Hij: ‘Maar zoek eerst het Koninkrijk van God en Zijn gerechtigheid, en al deze dingen zullen u erbij gegeven worden.’4

De dingen die belangrijk zijn in de wereld, zijn soms opvallend onbeduidend in de ogen van God. En de dingen die belangrijk zijn voor God, dreigen wij vaak uit het oog te verliezen. Maar God beslist wat werkelijk waarde heeft. Hij geeft je leven zin en betekenis, ook als het in de ogen van de wereld niet zoveel voorstelt. Laten we elkaar, maar vooral de kinderen en tieners, laten zien welke dingen werkelijk van waarde zijn in dit leven. Het gaat niet om jouw leven, eten, drinken, lichaam, kleding, geld of gevoel. Wat Hij van ons vraagt, is samengevat in het grote gebod: God liefhebben met alles wat we hebben, Hem op de eerste plaats zetten (dus bóven al het andere in ons leven) en onze naaste liefhebben als onszelf. Onze focus mag verschuiven van onszelf naar God en naar de mensen om ons heen. Dat zet de dingen in een beter perspectief en het geeft rust en vrede. We mogen God steeds beter leren kennen en samen met Hem de mensen om ons heen dichter bij God brengen en hen iets van God laten zien. Dat betekent niet dat we al onze zorgen en gevoelens als onbelangrijk moeten wegschuiven, maar dat we ze met God delen en Hem durven vertrouwen dat Hij voor ons zal zorgen en beter weet wat goed voor ons is dan wijzelf.

God geeft verantwoordelijkheid voor elkaar
God geeft hiermee niet alleen betekenis aan ons leven, maar Hij heeft ons ook verantwoordelijkheid. Zoals Hij dat al deed in Genesis 1, waar hij Adam en Eva de opdracht gaf om de aarde te vervullen en haar te onderwerpen en te heersen over de vissen van de zee, de vogels in de lucht en alle dieren die over de aarde kruipen.5 Onderwerpen en heersen zijn termen die we in onze tijd een negatieve kleur toekennen. In de betekenis van de Hebreeuwse woorden vind je gezond leiderschap terug: we moeten de aarde dienen en er zorg voor dragen. Wij dragen verantwoordelijkheid voor Gods Schepping. We dragen verantwoordelijkheid voor ons eigen leven, voor hoe we met anderen omgaan en voor hoe we met al het leven op aarde omgaan (mensen en dieren).

Wanneer God ons in de Bijbel iets uitlegt over wie we zijn als mens, gebruikt Hij vergelijkingen die ons niet als individu apart zetten, maar ons in een groep plaatsen: o.a. schapen in een kudde, lichaamsdelen in het lichaam, broers en zussen in een familie. We zijn niet bedoeld om op onszelf te leven, maar om met elkáár te leven. We hebben elkaar nodig. We zijn allemaal zwak6 en hebben anderen nodig.7 Het draait in Gods Koninkrijk juist niet om onafhankelijk zijn, voor jezelf opkomen en sterk zijn. Het draait om elkaar dienen, elkaar helpen en samenwerken. In een groep of samenleving waar we zo met elkaar omgaan, waar we elkaars lasten dragen en delen in elkaars vreugde, daar komen alle leden tot bloei.

Wanneer we zien dat zoveel jonge mensen in ons land worstelen met psychische klachten, komen we er niet mee weg door hen de weg te wijzen naar de hulpverleners. We zullen met zijn allen onze verantwoordelijkheid moeten oppakken en daar waar wij verschil kunnen maken, elkaars lasten dragen en elkaar weer helpen scherp te zien wat werkelijk van waarde is.

Ruimte voor falen en lijden
In het streven naar succes en de druk om te presteren die daar van uit gaat, lijkt geen ruimte te zijn voor falen noch voor lijden. Onze welvaart lijkt het plaatje te schetsen dat alles mogelijk is als je maar hard je best doet en als je maar de juiste keuzes maakt op het juiste moment. Dit zet niet alleen je focus op jezelf en op je prestaties of (wereldse?) doelen. Het biedt geen ruimte voor de stormen van het leven, de momenten van falen en de momenten van lijden. Het is gevaarlijk hoe dit door kan sijpelen naar de visie op God, de mens en de Bijbel. De gedachte ligt dichtbij om te denken dat wereldse voorspoed de zegen van God is en dat falen en lijden ‘dus’ de afwezigheid van Gods zegen betekenen. Alsof je dus iets verkeerd doet en de verantwoordelijkheid voor het lijden daarmee bij jezelf ligt.

Kinderen en jongeren hebben het eerlijke, echte verhaal nodig van wat het betekent om Jezus te volgen en God te dienen. Eén ding kunnen ze zeker weten: er gáán stormen komen. Er zal lijden zijn. Je weet niet in welke vorm, wanneer of hoe zwaar, maar zeker is dat het er zal zijn.8 Maar nog iets mogen ze zeker weten: ze zijn nooit alleen, God is met hen. Zijn Naam is ‘Ik ben er’. Jezus’ Naam is Immanuel: ‘God met ons’. En als het goed is, zijn wij er voor hen. Om ze te beschermen, te onderwijzen en te helpen. In Mattheüs 28 zegt Jezus zelf: ‘Mij is gegeven alle macht in de hemel en op aarde. Ga dan heen, onderwijs al de volken, hen dopend in de Naam van de Vader en van de Zoon en van de Heilige Geest, hun lerend alles wat Ik u geboden heb, in acht te nemen. En zie, Ik ben met u, al de dagen, tot de voleinding van de wereld. Amen.’

Eindnoten

  1. https://www.rivm.nl/gezondheidsonderzoek-covid-19/kwartaalonderzoek-jongeren/mentale-gezondheid
  2.  https://www.trimbos.nl/actueel/nieuws/sterke-toename-psychische-aandoeningen-bij-volwassenen/
  3. Mattheüs 22:37-39
  4. Mattheüs 6:33
  5. Genesis 1:26-30
  6. O.a. 2 Kor. 12:9, Hebr. 4:15
  7. O.a. Pred. 4:9-12, 1 Kor. 12:21-27
  8. Mattheüs. 7:24-27, Jes.43:1-5, Psalm 23:4