Alles heeft zijn tijd

A A A

Salomo heeft het gemaakt in het leven. Hij bezit alles wat er te bezitten valt en heeft alles bereikt wat er te bereiken valt. Hij is koning in Jeruzalem en wordt alom geprezen om zijn wijsheid. Toch blijft hij op zoek naar de zin van het leven. Hij verzucht: “Een en al vluchtigheid, …, een en al vluchtigheid, alles is vluchtig. Welk voordeel heeft de mens van al zijn zwoegen waarmee hij zwoegt onder de zon?” (Pred. 1:2-3)

Vluchtigheid
Hij stelt zichzelf de vraag wat de meerwaarde is van het harde werk dat de mens verricht. Wat leveren al zijn toegewijde inspanningen hem op? Alles gaat immers zijn eigen gang: de ene generatie komt en wordt opgevolgd door de andere, de ene dag gaat naadloos over in de volgende, de seizoenen volgen elkaar op in een altijddurende cyclus en het water loopt telkens weer naar de zee zonder dat deze ooit vol raakt. Hoezeer we ons ook inspannen, de dingen lopen zoals ze lopen: “Het kromme kan niet rechtgemaakt worden en wat ontbreekt, kan niet meegeteld worden.” (Pred. 1:15) Een leven van zwoegen brengt geen wezenlijke verandering tot stand op de wereld zoals God die geschapen heeft. Ons zwoegen is “vluchtig”. Futiel. Onbeduidend. Vergeefs. Beuzelachtig.

Intussen is Salomo op leeftijd en evalueert hij zijn werkzame leven: “Ik heb voor mijzelf grootse dingen tot stand gebracht … Ik werd groter en nam toe, meer dan allen die vóór mij in Jeruzalem geweest zijn.” (Pred. 2:4-9) Hij heeft grote infrastructuurprojecten gerealiseerd, de economie gestimuleerd en cultuurevenementen georganiseerd. Bij dat alles constateert hij, niet zonder enige genoegdoening: “Ook bleef mijn wijsheid bij mij.” (Pred. 2:9)

Wandelen in Gods werken
En toch… Wanneer hij de pensioengerechtigde leeftijd bereikt heeft en evalueert wat hij allemaal tot stand gebracht heeft, is de onverbiddelijke en keiharde conclusie:
“Toen richtte ik mijn aandacht op al mijn werken, die mijn handen gemaakt hadden, en op het zwoegen waarmee ik had gezwoegd om ze tot stand te brengen. Zie, het was alles vluchtig en najagen van wind. Daarin was geen voordeel onder de zon.” (Pred. 2:11)
Hoezeer we ons ook inspannen om het goede te doen, op zichzelf genomen heeft het geen waarde. De Heere Jezus formuleert het als volgt:
“Want wie zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar wie zijn leven zal verliezen omwille van Mij en om het Evangelie, die zal het behouden. Want wat zal het een mens baten als hij heel de wereld wint en aan zijn ziel schade lijdt?” (Mark. 8:35-36)
Onze inspanningen zijn niet verkeerd (Pred. 2:24), maar dragen in zichzelf geen eeuwigheidswaarde. Het leven gaat zijn gang en kent verschillende stadia:
“Voor alles is er een vastgestelde tijd, en er is een tijd voor elk voornemen onder de hemel.” (Pred. 3:1)
Het komt erop aan dat we met blijdschap datgene doen wat God op onze weg brengt, vanuit de relatie met Hem:
“Ik heb gemerkt dat er voor hen niets beter is dan zich te verblijden en het goede te doen in hun leven, ja ook, dat ieder mens eet en drinkt en het goede geniet van al zijn zwoegen. Dat is een gave van God. Ik weet dat alles wat God doet, voor eeuwig blijft; niets is eraan toe te voegen, niets ervan af te doen, en God doet het opdat men vreest voor Zijn aangezicht.” (Pred. 3:12-14)
Paulus zegt: “Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus om goede werken te doen, die God van tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Ef. 2:10)

Het is niet gemakkelijk om op deze manier in het leven te staan. Salomo wordt geconfronteerd met goddeloosheid in plaats van gerechtigheid (Pred. 3: 16). Hij krijgt onder andere te maken met onrecht (Pred. 3: 17), onderdrukking. (Pred. 4:1) en afgunst (Pred. 4:4). Er is zoveel moeite in het leven dat hij bijna zou gaan verlangen naar de dood (Pred. 4:2). Toch waarschuwt hij om niet te snel te zijn met het trekken van een conclusie (Pred. 5:1). “Want zoals er in een veelheid aan dromen veel vluchtigs is, zo is het ook met de veelheid van woorden. Daarom: vrees God!” (Pred. 5:6) Het gaat dus niet zozeer om wát we doen, maar veeleer om de motivatie waaruit we het doen.

Een drieluik
We constateren met Salomo dat een nieuwe generatie klaarstaat om ons op te volgen, maar dat de dingen daardoor niet wezenlijk zullen veranderen (Pred. 1:4). Er is immers “een tijd om geboren te worden en een tijd om te sterven; een tijd om te planten en een tijd om het geplante uit te trekken;” (Pred. 3:2). Zijn woorden blijven relevant voor ons vandaag, met name wanneer we nadenken over hoe we op een zinvolle manier invulling kunnen geven aan de herfst van ons leven. In deze context helpt het om ons leven te zien als een drieluik:

Beginfase
“Oefen de jongeman overeenkomstig zijn levensweg, ook als hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken.” (Spr. 22:6)
“Kinderen, wees je ouders gehoorzaam in de Heere, want dat is juist. Eer je vader en moeder (dat is het eerste gebod met een belofte), opdat het je goed gaat en je lang leeft op de aarde.” (Ef. 6:1-3)
Hoewel het kind in de beginfase vooral bezig is met het hier en nu, wordt de basis gelegd voor heel het verdere leven. Hoe beter en hoe evenwichtiger deze verloopt, hoe steviger het fundament om later op te bouwen. Wat je in je kindertijd geleerd hebt, raak je nooit meer kwijt.
De beginfase van het leven bestaat er in om te leren. Altijd maar leren. Eén van de eerste dingen die kleine kinderen moeten leren kennen, is het verschil tussen “ja” en “neen”. Ze moeten leren gehoorzamen en hun ouders respecteren. Dit is bepalend voor het verloop van de rest van hun leven.
Ze zijn in staat om onvoorwaardelijk vertrouwen te geven (“Papa kan alles en papa weet alles…” of “ “Mama is de béste mama van de hele wereld…!”). Dat moet ook wel, want ze zijn volkomen afhankelijk van hun ouders.
Ze zijn gevoelig voor geestelijke zaken en perfect in staat om op God onvoorwaardelijk te vertrouwen. Dit is waarom Jezus zegt dat volwassenen het Koninkrijk slechts binnen kunnen gaan indien ze het ontvangen “als een kind”. (Lk. 18:27)
Verder moeten ze allerlei vaardigheden leren: leren lopen, leren spreken, leren lezen en schrijven, leren fietsen, brommer leren rijden,… Dit gaat gepaard met veel oefening en ook met veel “vallen en opstaan”. Op die manier leert het kind niet alleen vaardigheden, maar ontwikkelt het ook discipline, doorzettingsvermogen en verantwoordelijkheidszin.
In eerste instantie gebeurt dit alles binnen de veilige omgeving van het christelijk gezin, “geheiligd” in de ouders. (1 Kor. 7:14) Vanaf de puberteit gaat het kind zijn wereld vergroten en steeds meer zelfstandigheid ontwikkelen, om zich zo voor te bereiden op de middenfase.

Middenfase
“Verblijd u, jongeman, in uw jeugd, en laat uw hart vrolijk zijn in de dagen van uw jeugd. Ga in de wegen van uw hart en volg wat uw ogen zien, maar weet dat God u over dit alles in het gericht zal brengen.” (Pred. 11:9)
“Daarom zal een man zijn vader en moeder verlaten en zich aan zijn vrouw hechten, en die twee zullen tot één vlees zijn,.” (Mat. 19:5)
In de middenfase is het kind volwassen geworden en gaat een eigen leven bouwen, los van de ouders. Deze fase is toekomstgericht en wordt vooral gekenmerkt door “bouwen”: een huwelijk, een gezin, een diploma, een sociaal netwerk, een carrière, een huis,…
Je bent in de kracht van je leven en hebt visie om allerlei grote en interessante projecten tot een goed einde te brengen. Je denkt dat je alles kan en dat je onafhankelijk kan functioneren. Prediker geeft het advies om ten volle te genieten van deze periode. Tegelijk wijst hij op het belang om God niet uit het oog te verliezen en Zijn plan voor je leven voortdurend voor ogen te houden. In Psalm 127:1-2 verzucht Salomo: “Als de HEERE het huis niet bouwt, tevergeefs zwoegen zijn bouwers eraan; als de HEERE de stad niet bewaart, tevergeefs waakt de wachter. Het is tevergeefs dat u vroeg opstaat, laat opblijft, brood eet waarvoor u moet zwoegen: de HEERE geeft het Zijn beminde in de slaap.”
Kenmerkend voor deze fase is dat, wanneer de projecten gerealiseerd zijn, de uitdagingen minder worden en iemand zich de vraag stelt: “Was dit het nu? Is dit wat ik de volgende 10 of 20 jaar nog wil doen? Als ik nog een nieuw, groot project wil beginnen, dan moet ik het nu doen, of het is te laat…” Wellicht is dit het goede moment om de “landing” in te zetten en voorzichtig beginnen na te denken over de eindfase.

Eindfase
“Naakt ben ik uit de buik van mijn moeder gekomen en naakt zal ik daarheen terugkeren. De HEERE heeft gegeven en de HEERE heeft genomen;” (Job 1:21)
“Ik word immers reeds als een plengoffer uitgegoten en het tijdstip van mijn heengaan is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb de loop tot een einde gebracht. Ik heb het geloof behouden. Verder is voor mij weggelegd de krans van de rechtvaardigheid die de Heere, de rechtvaardige Rechter, mij op die dag geven zal.” (2 Tim. 4:6-8)
De eindfase is een periode om terug te kijken op het parcours dat we gelopen hebben. Wat is het mooi om dan, net als Paulus, tot de conclusie te komen dat we de loop tot een goed einde gebracht hebben en ook het geloof behouden hebben!
Het is een periode die we zouden kunnen kenmerken door vier steekwoorden:

Loslaten
Onze laatste levensfase bestaat in grote mate uit “loslaten”. Elke keer weer moeten we een beetje inleveren. De dag komt dat we met pensioen gaan en een nieuwe invulling aan ons leven mogen geven. Voor velen van ons is dat moment een verademing, omdat we eindelijk ons kunnen gaan richten op de dingen die we altijd nog eens wilden doen… Al vrij snel merken we echter dat onze krachten afnemen en dat we meer en meer geconfronteerd worden met allerlei pijntjes en kwaaltjes. Naarmate we ouder worden, wordt het begrip “verlies” steeds bepalender: verlies van gezondheid, verlies van geliefden, verlies van zelfstandigheid, verlies van helderheid,…

Aanvaarden
Om deze fase in schoonheid door te maken is het van wezenlijk belang om te aanvaarden dat dit is hoe de dingen gaan: “De sterveling-zijn dagen zijn als het gras, als een bloem op het veld, zo bloeit hij. Wanneer de wind erover is gegaan, is hij er niet meer en zijn plaats kent hem niet meer. Maar de goedertierenheid van de HEERE is van eeuwigheid en tot eeuwigheid over wie Hem vrezen.” (Ps. 103:15-17) Aanvaarding zorgt ervoor dat we niet veranderen in een “ouwe brombeer”, maar aangenaam gezelschap blijven en zo nog van grote betekenis kunnen zijn voor onze kinderen, onze kleinkinderen en onze omgeving.

Doorgeven
Aanvaarding zorgt ervoor dat we in staat zijn om los te laten en door te geven aan de volgende generatie: Mozes moest op zoek gaan naar betrouwbare mannen die een deel van zijn taak over zouden kunnen nemen (Ex. 18:21) en Timotheüs moest datgene wat hij zelf van Paulus geleerd had, doorgeven aan “trouwe mensen die bekwaam zijn om ook anderen te onderwijzen.” (2 Tim. 2:2) Doorgeven betekent loslaten. Loslaten betekent ruimte geven. Ruimte geven betekent aanvaarden dat de jongere generatie het anders zal doen dan wij altijd gewend geweest zijn. Dat vergt nederigheid en vertrouwen op God.

Voorbereiden
Wanneer we losgelaten hebben, zijn we ook in staat om concrete voorbereidingen te treffen voor de laatste reis die ons allen te wachten staat. De dood is dan geen vijand meer, maar een vreugdevolle overgang naar de eeuwigheid aan de voeten van onze Heere: “Want dit vergankelijke moet zich met onvergankelijkheid bekleden en dit sterfelijke moet zich met onsterfelijkheid bekleden. En wanneer dit vergankelijke zich met onvergankelijkheid bekleed zal hebben, en dit sterfelijke zich met onsterfelijkheid bekleed zal hebben, dan zal het woord geschieden dat geschreven staat: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Graf, waar is uw overwinning? … Maar God zij dank, Die ons de overwinning geeft door onze Heere Jezus Christus..” (1 Kor. 15:53-57)