Woordstudie: Profeteren
Dit artikel wil onderzoeken in welke betekenis "profeteren" en aanverwante woorden in de Bijbel voorkomen. Gezien de grote hoeveelheid tekstmateriaal is gepoogd om zoveel mogelijk de sleutelpassages en de belangrijkste kenmerken te behandelen.
Het Oude Testament
De term "profeet" wordt telkens uitgedrukt door )yibfn (nabi). Van dit zelfstandig naamwoord is het werkwoord )bn (naba; profeteren) afgeleid. Enkele malen treedt ook de synonieme term "ziener" op (he)or, ro’eh; en hezoh, hozeh). De Septuaginta, de Griekse vertaling van het Oude Testament, heeft deze woorden telkens concordant vertaald met de woorden profh/thj (profetes), profhteu/w (profeteuo), en aanverwanten.
Als basisbetekenis geldt: een profeet is iemand die in de autoriteit van zijn overste als diens woordvoerder optreedt. Wanneer God aan Mozes beveelt om aan Farao al Zijn woorden bekend te maken, en Mozes daarbij opmerkt dat zijn spreekvaardigheid niet al te schitterend is, antwoordt de HERE: "Zie, ik stel u als God voor Farao; en uw broeder Aäron zal uw profeet zijn. Gij zult alles zeggen wat Ik u gebied, en uw broeder Aäron zal bij Farao het woord voeren" (Ex.7:1-2). Een profeet is dus als het ware de "mond", de spreekbuis van degene door wie hij gezonden is (Jer.15:19).
Uiteraard ligt hier een probleem. In het Oude Testament is niet alleen sprake van de profeten die namens de HERE gezonden zijn (b.v. Elia), maar ook van de profeten van een andere godheid (b.v. de Baäl, zie 1 Kon. 18:20-40). Nog verwarrender wordt het als profeten zich voordoen als gezonden door de HERE, terwijl ze dat in werkelijkheid niet zijn. Een geestelijke conflictsituatie is het gevolg. Zo ziet de profeet Micha zich geconfronteerd met 400 valse profeten (l Kon.22:6-8). Zijn voorspelling van nederlaag (22:17-28) wordt tegengesproken door hun voorspelling van overwinning (22:12-13). Het belang van profetie blijkt hieruit dat koning Josafat het wel of niet aanvangen van de strijd laat afhangen van de profetie die gegeven wordt. Als Chananja in de naam van de HERE een onware profetie van heil uitspreekt, ziet de profeet Jeremia zich genoodzaakt om in te grijpen opdat het volk niet op een leugen zou vertrouwen (Jer.28:15). Het volk bevindt zich immers in een levensgevaarlijke situatie omdat de raad en boodschap van dergelijke valse profeten afwijkt van de leiding die de HERE door Zijn profeten wil geven.
Als twee profeten allebei beweren door de HERE gezonden te zijn en toch met een totaal tegenstrijdige boodschap komen, hoe kan het volk dan weten wie wel en wie niet door de HERE aangesteld is-
Mozes heeft daarover namens de HERE een aantal richtlijnen nagelaten (Deut. l8:9-22; 13:1-5): (1) De profeet dient een Israëliet te zijn (l8:l5.l8); (2) Het is iemand die spreekt wat God hem opgelegd heeft (18:18-l9). Niemand kan dus zichzelf als profeet benoemen, maar het is de HERE die iemand daartoe aanstelt; (3) Een waar woord van God is een woord dat werkelijk vervuld wordt. Een profeet die een woord uitspreekt dat niet vervuld wordt, is niet door God gezonden (l8:22). (4) De Boodschap van de profeet mag niet leiden tot afval van de HERE, maar dient in overeenstemming te zijn met Zijn geboden (l3:l-5) (Vgl. Jer.28:8-9). Een profetie dient dus nooit klakkeloos geaccepteerd te worden, maar moet telkens getoetst worden. Het is opvallend dat vlak voor deze richtlijnen een ernstige waarschuwing tegen allerlei occulte praktijken gegeven wordt (Deut.l8:9-l4)!
Wat is profetie nu eigenlijk- Het hoofdcriterium om vals van waar te onderscheiden (3) maakt duidelijk dat profetie in de eerste plaats Goddelijke openbaring is aangaande de (nabije) toekomst (b.v. 2 Kron.2l:l2-l5). Het openbaren van wat in de toekomst ligt heeft uiteraard ook invloed op de keuzes die iemand in het licht daarvan vandaag maakt. Profetie kan dus ook informatie geven in verband met het actuele leven (l Sam.9:9-l0; 28:5-6; l Kon.l2:5-7; l4:3-7; 2 Kon.22:l3-l4). Profetie omvat eveneens kennis van verborgen zaken. Zo weet de profeet Natan van Davids overspel en moord (2 Sam.l2:9-10). Sauls knecht wil de profeet raadplegen om de weggelopen ezelinnen terug te vinden (2 Sam.12:5-6). In een profetie wordt dus informatie doorgegeven die niet langs natuurlijke maar enkel via bovennatuurlijke weg verkregen kan worden. De profeten leiden hun boodschap dan ook in met de woorden: "Zo spreekt de HERE" (Ex.4:22; 1 Sam.7:5). Hiermee wordt oorsprong en gezag van de boodschap onderstreept. De profeten brachten hun boodschap vaak met vertoon van wonderen, tekenen en zinnebeeldige handelingen (1 Kon.11:29-32; Jes. 20:2-4; Jer.16:1-9). Het verrichten van een wonder bewijst echter niet automatisch dat een profeet door God gezonden is; de boodschap die hij brengt blijft dé toetssteen (Deut.13:1-2).
Hoe geeft God Zijn openbaring aan de profeten- Meestal wordt echter niet de wijze waarop, maar enkel het feit dat God een openbaring gaf, vermeld. "Het woord des HEREN nu kwam tot mij" (Jer.2:1; 2 Sam.7:4; 24:11). "Toen Samuël Saul zag gaf de HERE hem te kennen" (1Sam. 9:17). Num.12:6 geeft daarover de volgende informatie: "Indien onder u een profeet is, dan maak ik, de HERE, Mij in een gezicht aan hem bekend, in een droom spreek Ik met Hem" (Vgl. 1 Kon.22:17-23; Jer.1:11; Zach. 1-6). Vandaar dat een profeet enkele malen ook wel met de aanduiding ‘ziener’ wordt vermeld (1 Sam.9:9 (9:6: ‘man Gods’); 2 Sam.24:11). In het Oude Testament is ook sprake van vrouwelijke profeten, namelijk Miriam (Ex.15:20), en de profetes Chulda (2 Kon.22:14).
Toen het volk op de berg Horeb oog in oog stond met de heerlijkheid van God, vroeg het om minder direct geconfronteerd te worden met de macht en majesteit van God. God willigde dit in en zou door middel van een profeet tot het volk spreken (Deut.18:16-18). Dit heeft wel het nadeel dat er meer afstand ontstaat tussen het volk en God. Mozes spreekt dan ook de wens uit: "Och, ware het gehele volk des HEREN profeten, doordat de HERE zijn Geest op hen gave!" (Num.11:29). Dat deze innige betrokkenheid tussen God en mens ook Gods hartenwens is, blijkt uit Joël 2:28-29 waar God het volgende aankondigt: "Daarna zal het geschieden, dat Ik Mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten". Petrus citeert deze tekst om Gods handelen op de eerste Pinksterdag vanuit de Schrift te verduidelijken. De tijd van het Nieuwe Testament en van de gemeente is hiermee aangebroken.
Het Nieuwe Testament
Wie worden in het Nieuwe Testament als profeten (profhthj; profetes) aangeduid- In de eerste plaats de profeten van het Oude Testament. Zij fungeerden als ‘mond’ voor God waardoor Hij sprak tot de mensen (Hand.3:18.21; Matt.1:22; 2:15; Luc.1:70; Hebr.1:1). Zij spraken niet op eigen initiatief, "want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken" (2 Petr.1:21). Het was de Geest van Christus die in hen vooraf getuigenis aflegde van het lijden en de heerlijkheid die over Christus komen zou (1 Petr.1:11). Vooral het evangelie naar Matteüs beklemtoont dat de profeten van het Oude Testament vooraf verkondigden wat later in Christus vervuld zou worden. Daar de woorden van de profeten schriftelijk vastgelegd zijn, worden naar analogie ook hun geschriften ‘profeten’ genoemd (Matt.11:13; 22:40; Luc.24:44; Hand. 26:22; etc.). In de geboorteverhalen in het begin van Lucas wordt van Zacharias verteld dat hij vervuld werd met de Heilige Geest en profeteerde (profhteu/w; profeteuo) (Luc.1:67). Wat volgt staat in de toekomende tijd. Hanna wordt een profetes (profh/tij; profetis) genoemd (Luc.2:36). Johannes de Doper wordt telkens een profeet genoemd (Luc.1:76; Marc. 11:32; Matt.11:9). Alhoewel Jezus alle kenmerken van een profeet vertoonde, duidde Hij zichzelf niet als dusdanig aan (behalve misschien in Luc.13:33), maar werd wel zo aanzien door het volk (Marc.6:15; 8:27; Matt.21:11; Joh.6:14; 7:40) en de discipelen (Luc.24:19). Hij is immers méér dan een profeet (Matt.12:41) want Hij vervult de profetieën (1 Petr.1:10-11;Luc.10:24). Jezus wordt aanzien als ‘de profeet als Mozes’ (Deut.18:15.18; Hand. 3:22; 7:37). Profeten treden eveneens op in de gemeente (1 Kor.11-14).
Wat is het kenmerkende van profetie-
(1) Het hoofdkenmerk is het doorgeven van Goddelijke openbaring aangaande de toekomst (Luc.1:67-79; Hand.11:28; 21:10; Openb.10:8-11 en Ezech.2:8-3:3).
(2) Het op bovennatuurlijke wijze kennen van geheimenissen (1 Kor. 13:2), van iemands achtergrond, hart, gedachten (Joh.4:19; Luc.7:39; 1 Kor. 14:24-25).
(3) Omdat profetie uitspraken over de toekomst doet, fungeert zij ook als leiding en als richtingaanwijzer voor actuele situaties en keuzes (Hand. 13:1-3; 1 Tim.1:18; 4:14). Profetie is bestemd voor de gelovigen, en niet zozeer voor niet-gelovigen (1 Kor. 14:22). Hieruit blijkt het enorme belang van profetie voor het christelijke leven!
De oorsprong van profetie ligt niet in de mens, maar in God. Hij is het die door een profeet heen, Zijn openbaring geeft. "Dit zegt de heilige Geest" (Hand.21:11; 11:27; 19:6; 1 Kor.12: 10-11).
Welke plaats heeft profetie in de gemeente-
De gemeente wordt vergeleken met een lichaam waarin elk lid zijn eigen plaats en inbreng heeft (1 Kor.12:27). Door de heilige Geest zijn we tot één lichaam gedoopt (1 Kor.12:13). Diezelfde Geest rust de individuele leden toe "tot welzijn van allen" (1 Kor.12:7), "tot stichting van de gemeente" (1 Kor.14:12.26). Onder die ‘genadegave’ (Rom.12:6; 1 Kor.12: 10) neemt profetie een eerste plaats in (Rom.12:6; 1 Kor.14:1.5), zelfs zozeer dat Paulus de gemeente tot tweemaal toe uitdrukkelijk oproept om vóór alles daarnaar te streven (1 Kor.14:1.39). Want profetie is de gave bij uitstek die ‘sticht, vermaant en bemoedigt’ (1 Kor.12:3-4; Hand.15:32), die ‘lering en opwekking’ geeft (1 Kor.14:31), en dat voor de ganse gemeente.
God is een God van vrede en niet van wanorde. Daarom dienen de profeten "één voor één te profeteren, opdat allen opwekking erdoor ontvangen" (1 Kor.14:31-33).
Wat is relatie tussen profetie en onderwijs-
Voorgaande tekst (1 Kor.14:31-33) laat blijken dat profetie onder andere lering tot gevolg heeft. Misschien is dit de reden waarom vandaag in sommige kringen profetie met onderwijs gelijkgesteld wordt. Profetie kan weliswaar aanleiding geven tot een zekere onderwijzing, maar wordt daar toch duidelijk van onderscheiden.
(-) In de opsomming van de genadegaven in Rom.12:6 wordt profetie afzonderlijk van onderwijs vermeld.
(-) Ditzelfde geldt eveneens voor de functies in de gemeente; profeten worden apart van leraars en andere vernoemd (1 Kor.12:28; Ef.4:11; Hand.13:1).
(-) Van een vrouw wordt verlangd dat zij zich rustig in alle onderdanigheid laat onderrichten; het is haar echter niet toegestaan onderricht te geven of gezag over de man te hebben (1 Tim.2:12). Onderricht of onderwijs kan niet hetzelfde betekenen als profetie want een vrouw heeft wel de bevoegdheid om te profeteren (Luc.2:16; Hand.2:17-18; 21:9; 1 Kor.11:5).
Hoe is een valse profeet te onderscheiden van een ware profeet-
Evenals het Oude Testament behandelt ook het Nieuwe Testament dit probleem en geeft een aantal criteria om te kunnen onderscheiden (Vgl. Deut.13 en 18). Profetie, als openbaring van God aangaande de toekomst, is immers van kapitaal belang voor de richting welke een gemeente of een individu in een concrete situatie dient uit te gaan (leiding!).
Het Nieuwe Testament erkent het voorkomen van valse profeten in het Oude Testament (Luc.6:26; 2 Petr.2:1), maar ook in het Nieuwe Testament treden ze herhaaldelijk op (Hand.13:6-9; Openb.2:18-21). Jezus waarschuwt dan ook dat er in het laatste der dagen vele valse profeten op zullen staan (Matt.24:11). Het onderscheiden is echter niet gemakkelijk omdat ze zich uiterlijk voordoen als echte profeten. Zo hebben sommigen van hen kans gezien in de gezien in de gemeente een invloedrijke plaats te bekleden (Openb.2:18-21). Hun optreden gaat gepaard met tekenen en wonderen, "zodat zij, ware het mogelijk, zelfs de uitverkorenen zouden verleiden" (Matt.24:24). Jezus noemt hen dan ook niet voor niets ‘wolven in schapenvacht’ (Matt.7:15).
Hun ware aard blijkt echter uit het doel dat ze nastreven. Zo willen ze mensen van het geloof afkerig maken (Hand.13:6-9), verleiden (Matt.24: 11.24; Marc.13:22; Openb.19:20) en daardoor afval van God en zelfs openlijke opstand tegen Hem (Openb.16: 14; 20:9-10) bewerkstelligen. Ze brengen een leer die loochent ‘dat Jezus de Christus is’ (Joh.2:22), ‘dat Jezus Christus in het vlees gekomen is’ (4:2).
Welke oorsprong heeft hun profeteren- Niet de Geest van God, maar de tegenstander van God, de ‘geest van de antichrist’ (1 Joh.4:1.3; Vgl. 2:18) is degene die de valse profeten bestuurt. Openb.16:13 schetst dan ook heel treffend hoe uit de bek van de draak, de bek van het beest en uit de mond van de valse profeet, drie onreine geesten van duivelen komen.
De gemeente heeft de opdracht te onderzoeken of iets uit God is of niet. Zo acht God de gemeente te Tyatira verantwoordelijk voor het feit dat ze de valse profetes Izebel in haar midden laat begaan (Openb.2:20). Profetieën dienen steeds getoetst te worden (1 Kor. 14:29; 1 Tes.5:21). Johannes vermaant zijn lezers niet zomaar iedere geest te vertrouwen, maar steeds te beproeven of ze wel uit God zijn (1 Joh.4:1). God heeft sommigen in de gemeente daarom toegerust met de gave van het onderscheiden van geesten (1 Kor.12:10). De tekst: "want onvolkomen is ons kennen en onvolkomen is ons profeteren" (1 Kor.13:9) kan dus zeker niet uitgelegd worden als verzachtende maatregel om profetie van bedenkelijke aard zonder degelijke toetsing en controle te accepteren. Ons profeteren is onvolkomen in die zin dat het onder doet voor de volledige en directe gemeenschap met God die ons straks te wachten staat (1 Kor.14.12).
Nogmaals: hoe is een valse profeet te herkennen-
(-) Uiterlijkheden of wonderen zijn op zich geen bewijs van Goddelijke afkomst. "Niet een ieder die tot Mij zegt: Here, Here, zal het koninkrijk der hemelen binnengaan, maar wie doet de wil mijns Vaders" (Matt.7:21-23).
(-) Aan de boodschap die ze brengen (1 Joh.2:22; 4:2) en de ‘vruchten’ die ze voortbrengen (hun levenswandel) (Matt.7:16), worden ze herkend.
(-) Paulus' verhandeling over profetie ontleent zijn gezag aan het feit dat het ‘een gebod des Heren’ is (1 Kor.14:37).
Toetsing aan de Schrift als norm en standaard voor Gods openbaring is dus telkens vereist!
Christenen die werkelijk toegewijd aan God leven hoeven niet bevreesd te zijn. In de confrontatie tussen Paulus en de tovenaar/valse profeet Barjezus is het deze laatste die in het ongelijk wordt gesteld (Hand.13:6-9). Wanneer Paulus de waarzeggende geest in de naam van Jezus gelast de slavin te verlaten, gebeurt dat ook daadwerkelijk (Hand.15:16-18)! Er staat immers "Gij zijt uit God kinderkens, en gij hebt hen overwonnen, want Hij, die in u is, is meerder dan die in de wereld is" (1 Joh.4:4).
Conclusie
Opvallend is de eenheid die Oude Testament en Nieuwe Testament bij dit onderwerp kenmerkt. Dit geldt eerst en vooral taalkundig: de Hebreeuwse termen zijn concordant overgezet in het Grieks van de Septuaginta en van het Nieuwe Testament. Het Nieuwe Testament erkent immers de profeten van het Oude Testament en bouwt bewust op hun profetieën voort. Het probleem van ware versus valse profeet wordt in zowel Oude Testament als Nieuwe Testament teruggevonden. Beide eisen dan ook dat profetie zorgvuldig getoetst wordt en verlenen daarom criteria om te onderscheiden.
Profetie is het doorgeven van Goddelijke openbaring aangaande de toekomst. Profetie kan eveneens betekenen het kennen van geheimenissen en verborgenheden. Omdat profetie openbaart wat in de toekomst ligt, heeft het een invloed op de richting die een gemeente of individu in het licht van die informatie inslaat. Profetie kan ook in het heden informatie geven bij een te maken keuze (leiding).
De hoofdvraag bij het toetsen van profetie is deze: welke bron ligt aan de profetie ten grondslag- Door welke geest wordt de profeet geleid- Een leven van toewijding aan God en aan Zijn woord is hierbij onontbeerlijk.
Oorspronkelijk verschenen in Tijdschrift voor Theologie en Pastorale Counseling
5de jaargang, 2de kwartaal 1993, nr. 18, p. 41-44
© Centrum voor Pastorale Counseling v.z.w.
