Onze arbeid in het licht van de Heilige Schrift
Prof. dr. J. Douma ontving zijn theologische opleiding in Kampen en Amsterdam. Nadat hij in Rijnsburg en Brunssum predikant geweest was, werd hij in 1970 hoogleraar in de ethiek aan de Theologische Hogeschool te Kampen. In 1994 is hij benoemd als bijzonder hoogleraar medische ethiek op de "Lindeboom leerstoel" van de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Er is veel veranderd
Wanneer wij vandaag over arbeid spreken, en dat willen doen in het licht van de Heilige Schrift, moeten we wel bedenken dat arbeid er vandaag heel anders uitziet dan in de dagen van patriarchen, profeten en apostelen uit bijbelse tijden. Ik zeg daarmee niet dat we onze arbeid niet meer in het licht van de Heilige Schrift kunnen plaatsen. Integendeel, maar om het juiste licht erop te laten vallen, is het goed eerst iets te zeggen over de grote veranderingen in de arbeid die zich in de loop van de eeuwen hebben voorgedaan.
Men onderscheidt vaak drie grote omwentelingen in het arbeidsproces. De eerste verandering was die van de Agrarische Revolutie. Trokken de mensen eerst nog als nomaden over de wereld, om telkens weer andere grond voor hun vee te gebruiken, sinds de Agrarische Revolutie vestigden velen zich op een vaste plaats, om de daar aanwezige grond telkens opnieuw te bearbeiden. Een volgende grote verandering veroorzaakte de Industriële Revolutie, die vooral na de uitvinding van de stoommachine het fabriekssysteem de plaats van de thuisarbeid deed innemen. Vandaag maken we de derde revolutie mee, die door A. Toffler de ‘derde golf’ (third wave) genoemd wordt die over ons heen spoelt. Het is de Informatica Revolutie, die de invloed van de computer tot in de uithoeken van onze arbeid laat voelen. Volgens Toffler zal door deze revolutie het centrum van de maatschappij van morgen weer de eigen woning worden.
Een merkwaardige ontwikkeling doet zich hier voor. Door de Industriële Revolutie werden de mensen uit hun huisarbeid gehaald, en geplaatst in fabrieken, die pakhuizen van arbeid werden. De arbeidsomstandigheden waren er in het begin uitermate slecht. De fabrieken waren bedompt en gevaarlijk, de werktijden waren lang, en dat niet alleen voor de mannen, maar ook voor vrouwen en kinderen. De steden groeiden snel, maar met vaak een slechte behuizing voor de arbeiders.
Gelukkig is dat een voorbije tijd, omdat politiek en overheid begrepen dat aan mensonwaardige arbeid een eind moest komen. Het lot van de arbeiders werd verbeterd en de welvaart meer gespreid. Kijken we op deze Industriële Revolutie terug, dan moet gezegd worden dat zij voor vrijwel alle sociale groepen materiële verbeteringen heeft gebracht. Massafabricage van goederen zorgde ervoor dat allerlei zaken, waaronder primaire levensbehoeften zoals kleding, veel goedkoper werden.
En wat zien we vandaag gebeuren- De computer stelt velen in staat weer thuis te werken. Terwijl de mensen eens op het breukvlak van het agrarische naar het industriële tijdperk hun kleine woon- en werkeenheden verwisselden voor de fabriek, kunnen ze nu de fabriek weer verlaten en naar hun woningen trekken om daar te werken. De computer maakt het immers mogelijk vanuit elke woning met elk productieproces waar ook ter wereld contact te maken, om thuis allerlei soort van arbeid te verrichtten.
Een nog ingrijpender verandering-
Toch zou het overdreven zijn te denken dat door de komst van de computer de wereld van onze arbeid geheel ondersteboven gekeerd wordt. Het is niet zo dat door de Informatica Revolutie het agrarische en het industriële karakter van de arbeid verdwijnen. Van achter de computer kunnen we vandaag wel veel, maar toch niet alles. Handenarbeid zal altijd wel nodig blijven, hoeveel gemak de techniek ons bij het verrichten van die arbeid ook biedt. De koeien kunnen niet per computer de wei ingestuurd of de stal binnengebracht worden. En fabrieken als concentratiepunten van arbeid zullen er blijven, hoeveel lijnen er van zo’n concentratiepunt naar de terminals thuis ook mogen lopen.
Een nog grotere omwenteling zal zich echter voordoen, als het de mens gelukt de allerkleinste onderdelen van het leven op aarde, bij planten, dieren en ook bij zichzelf te manipuleren en te herschikken. Wat er tot nu toe gebeurd is, kan men nog allemaal als verlengstuk van de menselijke hand, de menselijke energie en de menselijke hersens beschouwen. Met de zeis, de hamer en de schop werd de capaciteit van onze hand vergroot. De energie van de menselijke en dierlijke spierkracht werd verduizendvoudigd toen we kolen, olie, gas en atoomkracht gingen gebruiken. De kennis die we in onze hersens opslaan en daarin kunnen verwerken, werd opzienbarend vergroot door vindingen als de boekdrukkunst en nog meer door de computer. Maar wat gaat er gebeuren als de menselijke arbeid zich vervolgens richt op de bouwstenen van al het geschapene zelf- Als we niet meer bezig zijn om onze hand, onze energie en onze hersens te verlengen, maar te veranderen- Als wij dus het geschapene zelf zó gaan omvormen dat wij alle dingen gaan herscheppen- Dit lijkt nog ver weg, maar wie de snelheid van de ontwikkelingen in de informatica met de ontrafeling van het genetisch materiaal combineert, moet zich niet verbazen dat de eenentwintigste eeuw ons voor een nieuwe revolutie zal plaatsen die de wereld compleet kan veranderen.
Ik weet niet waar hier de grenzen van het menselijk mogelijke liggen. De mens is geen schepper, maar schepsel. Tegelijk echter weten we uit de Heilige Schrift, dat van de mens gezegd wordt dat hij ‘bijna goddelijk gemaakt is (Ps.8:6). Calvijn zegt in zijn verklaring van Psalm 8 dat de mens gaven heeft ontvangen "die niet ver bij goddelijke luister achterblijven". Natuurlijk wordt hij niet aan God gelijk, ook al bouwt hij torens van Babel. Maar wij zullen in de naderende nieuwe eeuw waarschijnlijk dat ‘bijna goddelijke’ nog indrukwekkender en tegelijk nog huiveringwekkender onder ogen krijgen dan in alle vorige eeuwen bij elkaar.
Wat gelijk blijft. Een definitie
Wanneer er zoveel veranderd is in de arbeid en de veranderingen zich steeds sneller voltrekken, waarin kan de Heilige Schrift, te boek gesteld in een toch voornamelijk agrarische wereld, ons nog van dienst zijn- Als wij geloven dat de Heilige Schrift een boodschap voor alle tijden bevat, dan zal dat ook wel het geval zijn als de Schrift over arbeid spreekt. Ik wil proberen u duidelijk te maken wat er, ondanks alle verandering in het arbeidsproces en de arbeidsomstandigheden, toch gelijk zal blijven. Laat ik dat doen aan de hand van de volgende definitie van arbeid die ik gebruiken wil om de blijvende schriftuurlijke kenmerken voor alle arbeid aan te geven. Deze definitie heb ik als volgt geformuleerd:
Arbeid is alle verplichte activiteit die de mens verricht met het oog op zijn levensonderhoud, zijn eigen ontplooiing en de ontplooiing van zijn samenleving. Deze arbeid is een opdracht die we tot Gods eer en tot welzijn van de naaste mogen verrichten uit dank voor Christus’ verlossing.
Een plicht met grote verrassingen
In de eerste plaats is arbeid een plicht, en wel een zeer oude, al vanaf het paradijs. We zijn geschapen als mensen die de opdracht kregen de aarde te vervullen en haar te onderwerpen, te heersen over de vissen, de vogels en de andere dieren (Gen.1:28). De mens werd aangesteld tot rentmeester over het geschapene. Wij gebruiken die term ‘rentmeester’ om aan te geven dat de mens geen bezitter van deze wereld werd. Want dat is en blijft God alleen.
Wel betekent het rentmeesterschap van de mens, met de opdracht om de wereld te bewerken, meer dan het simpel in stand houden van wat er is. De mens is meer dan iemand die op een winkel past zonder daarin iets te veranderen. Hij moet de schepping van God beheren en daarvoor telkens nieuwe wegen inslaan. Als beeld van God is hij tot een hoge taak geroepen, die ook om creativiteit vraagt. In het rentmeesterschap is hem het beheer toevertrouwd over alles, ook over zichzelf, inclusief over zijn genen.
We kunnen zeggen dat de ethische problematiek groter wordt naarmate ontdekkingen en uitvindingen dieper reiken. Als de mens nieuwe wegen inslaat, kan hij ook atoombommen maken en de wereld vernietigen in plaats van haar te beheren. Maar al het slechte dat hij ermee kan, sluit niet uit dat hij de geheimen van deze wereld mag ontdekken en gebruiken. We moeten dus niet beginnen met over al het nieuwe in de techniek ach en wee te roepen. Alles wat de mens vindt, van de boekdrukkunst tot de ontsluiting van het menselijk genoom toe, zijn goede vindingen, die de mens keer op keer mogen verrassen. De vraag is alleen of hij ze goed of slecht gaat gebruiken. Of hij rentmeester wil zijn of in Gods plaats voor baas wil spelen.
De juiste volgorde lijkt mij daarom dat wij beginnen met grote waardering uit te spreken voor de geweldige stappen die wetenschap en techniek hebben mogen zetten, om pas daarna de vraag aan de orde te stellen, of die wetenschap en techniek de nieuw verworven kennis ook op de juiste manier gebruiken. Genesis 1 en Psalm 8 prenten ons in dat de mens tot grote dingen geroepen is en tot grote dingen in staat is.
Wat wij vandaag aan ontwikkelingen opmerken, mag dan nauwelijks nog lijken op de eenvoudige agrarische aanpak van het ‘bouwen en bewaren’ waartoe Adam en Eva in het paradijs geroepen zijn; toch is er is wel degelijk continuïteit, wanneer wij de opdracht van Genesis 1 serieus nemen. Wie de aarde mag onderwerpen, mag ook tot haar diepste geheimen doordringen. Dat gebeurt, sinds de mens in zonde gevallen is, niet meer zonder ernstige risico’s. Maar we moeten ons op het falen van de mens niet zó concentreren, dat we tot doemdenken over wetenschap en techniek vervallen. Noem ik onze arbeid een verplichte bezigheid, dan ligt daarin niet zonder meer opgesloten dat arbeiden een harde aangelegenheid is. Daarvoor zijn wij in elk geval niet geschapen. Het gebod van God en de ons opgelegde taak als rentmeesters mogen tegelijk een zaak van vreugde zijn.
Levensonderhoud en levensontplooiing
Helaas zijn wij niet meer alleen geschapen mensen, wij zijn ook gevallen mensen. En daardoor is er ook in onze arbeid moeite en zorg gekomen. Toen Adam in zonde gevallen was, luidde het vonnis over hem, dat hij in het zweet zijns aanschijns brood zou eten. De aarde zou dorens en distels voortbrengen (Gen.3:17-19). Het zou daardoor een toer worden om in eigen levensonderhoud te voorzien.
Om die reden begin ik mijn definitie ook niet met de levensontplooiing, maar met het levensonderhoud, dat de mens zich door arbeid moet verwerven. Wij zitten hier in de kerk, prima gekleed, nadat we geslapen en gegeten hebben. Maar een groot deel van de wereldbevolking moet onder erbarmelijke omstandigheden zwoegen voor het meest elementaire levensonderhoud. De machines die in onze huizen de arbeid gemakkelijker hebben gemaakt, ontbreken bij miljoenen mensen nog vrijwel geheel.
Daarom is wat de Bijbel over de moeite van de arbeid schrijft, nog lang geen achterhaalde zaak. Ook in ons eigen land zijn er duizenden mensen die de eindjes aan elkaar moeten knopen en hard moeten werken voor een minimumloontje.
Toch mogen we verder gaan dan de arbeid alleen in verband te brengen met ons levensonderhoud. Tot die arbeid hoort ook het werk van dichters, schilders en musici, die eveneens aan de ontwikkeling van onze cultuur bijdragen. Cultuur kunnen we omschrijven als alle arbeid die door menselijke krachten aan de natuur wordt besteed, van de eenvoudige landbouw tot de hoog ontwikkelde techniek, van het leven in het dorp tot de ontdekking van de wereldruimte, van de prehistorische rotstekeningen tot de hoogst ontwikkelde vormen van de kunst. Naast de arbeid waarmee het leven van de mens moet worden onderhouden, is er ook arbeid waarmee het leven van de mens tot ontplooiing wordt gebracht. KarlMarx had niet gelijk toen hij stelde dat de mens pas mens wordt door zijn arbeid, en dat hij door die arbeid feitelijk zichzelf als mens schept. Maar het is wel in de lijn van de Heilige Schrift dat de mens zich als mens niet kan ontplooien wanneer hij met de armen over elkaar blijft zitten. Hij moet de wereld tot ontwikkeling brengen en dat doen met de gaven die hem geschonken zijn om ze te ontplooien. Wij zien wat voor moois dat kan opleveren, ook als wij Rembrandts schilderijen bekijken of BachsWeihnachtsoratorium beluisteren. Het museum hoort er in onze wereld net zo goed bij als de tractor en de melkmachine van de boer.
Ik maak in mijn definitie onderscheid tussen onze eigen ontplooiing en die van onze samenleving. Beide grijpen ineen. Rembrandt zal er wel niet aan gedacht hebben dat zijn Nachtwacht eens in een rijksmuseum zou hangen. Hij werkte, precies als Bach, om in zijn dagelijks levensonderhoud te voorzien. Hun persoonlijke ontplooiing kwam echter ook de samenleving, ja zelfs de hele wereld ten goede. Zo als Rembrandt en Bach het met hun arbeid hebben gedaan, is het maar aan een handjevol mensen gegeven. Toch hebben wij allen de plicht niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen te arbeiden.
Wij zijn bezig voor ons zelf, maar ook voor ons gezin, onze familie, onze kerkelijke gemeenschap en - als het goed is - ook voor hen die niet tot onze gemeenschap behoren, maar wel in nood verkeren. Wij hebben veel meer vrije tijd dan onze voorouders, vanwege de ontwikkeling van de techniek die de mens veel werk uit handen neemt. Maar ook al neemt de arbeid af, onze naasten blijven. De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan heeft nog niets aan actualiteit verloren. Wij zijn er, als het over arbeiden gaat, niet alleen voor onszelf, maar ook voor anderen. Wie vrije tijd heeft, mag op z’n rug gaan liggen op het strand; maar hij kan niet op zijn rug blijven liggen als anderen voor hun levensonderhoud en hun levensontplooiing zijn inspanning nodig hebben.
Ook hier is er dus iets dat voor alle tijden geldt. Zelfs al zouden we een driedaagse werkweek overhouden, dan nog blijft de vraag over wat we gedurende zeven dagen van de week ten behoeve van anderen gedaan hebben. Als Jezus terugkomt, zal hij zeker niet alleen vragen naar de arbeid die we verricht hebben ten behoeve van onze eigen ontplooiing, maar allereerst (zo vertelt Matt. 25:31vv ons) wat wij voor anderen gedaan hebben.
Wat ik hier kort opmerk, zou verder kunnen worden uitgewerkt in beschouwingen over b.v. zegen en vrucht van onze arbeid, over besteding van de winst, over vrijwilligerswerk en onze beroepskeuze.
Vrouw en arbeid
Uit het voorafgaande zal duidelijk zijn dat ik onder verplichte arbeid meer versta dan beroepsarbeid alleen. Onze moeders en vrouwen verrichtten thuis ook arbeid, al is dat geen betaalde beroepsarbeid. En vrijwilligerswerk valt net zo goed onder mijn definitie als beroeps- en huishoudelijke arbeid. Het is een zegen, dat wij doorgaans niet meer zo hard behoeven te werken voor uitsluitend ons levensonderhoud als dat met onze grootouders nog het geval was. De werkweek is korter geworden. Wij moeten de bestaande arbeid zelfs beter over de mensen gaan verdelen, om zoveel mogelijk mensen in het arbeidsproces te betrekken.
Het is goed in dat verband op een zaak te wijzen die velen ook onder ons raakt. Door de emancipatie van de vrouw neemt zij, meer dan in het verleden het geval was, deel aan betaalde arbeid buitenshuis. Allerlei voor de hand liggende factoren hebben dat proces bevorderd. Meisjes studeren even vaak en even goed als jongens. De tijd is allang voorbij dat zij als verpleegkundigen of onderwijzeressen een betaalde betrekking hadden en daarmee ophielden zodra zij trouwden. Ook in christelijke kring komt het steeds vaker voor dat man en vrouw, vader en moeder, beiden een baan hebben. Op bijbelse gronden valt daartegen geen bezwaar aan te voeren. Nergens wordt ons verteld dat de getrouwde vrouw zich zou moeten beperken tot het grootbrengen en opvoeden van kinderen plus de daarbij horende huishoudelijke werkzaamheden. Wie b.v. Spreuken 31 leest, onder ons bekend als het hoofdstuk over de ‘degelijke huisvrouw’, weet dat deze huisvrouw meer deed dan het verrichten van wat wij huishoudelijke werkzaamheden noemen. Daarover wordt in Spreuken 31 zelfs nauwelijks gesproken, terwijl we wel horen dat deze vrouw bezig was met vlas, met de aanschaf van een akker, met het drijven van handel en met het vervaardigen van tapijten. Veel van wat wij typisch mannelijk zijn gaan vinden, werd toen (ook) door huisvrouwen verricht.
Het is pas de Industriële Revolutie geweest die het ons zo vertrouwd geworden gezin gegeven heeft met ‘vader werkt buiten en moeder is de hele dag voor haar kinderen beschikbaar’. Daarvóór was het gezin de centrale werkeenheid, waarin vrouwen vaak even hard en lang meewerkten op de boerderij, in de winkel en in andere zaken voor het verwerven van levensonderhoud als de mannen. Door de opkomst van de grootindustrie kwam aan veel beroepsarbeid thuis een eind. Er voltrok zich een scheiding tussen woon- en werkplaats, tussen de man die de kost verdiende en de vrouw die voor de kinderen zorgde.
Op zichzelf is niet in te zien waarom een andere werkverdeling verkeerd zou zijn. Wie meent dat de getrouwde vrouw binnenshuis moet werken, en daarmee uit, verabsoluteert een periode uit de geschiedenis van de arbeid en heeft daarmee nog niet de Heilige Schrift achter zich.
Wel is iets anders van blijvende geldigheid. Als er in een gezin kinderen zijn, is er tegelijk een stuk arbeid waarvoor de beide ouders de eerstverantwoordelijken zijn. Die verantwoordelijkheid kan verdeeld worden, en vaak ook wel zo dat er voor beide ouders ruimte is om buitenshuis een baan te hebben. Maar als die verdeling eigenlijk niet mogelijk is en het kind de dupe zou worden van uithuizigheid van de ouders, schieten zij in hun plicht tekort. Het siert de vrouw volgens Tit.2:5 dat zij huishoudelijk is. Het siert trouwens evenzeer de man, van wie Paulus (1 Tim.3:4,12) zegt dat hij zijn huis en zijn kinderen goed bestuurt. Waarom zou ook hij geen huishoudelijke werkzaamheden kunnen verrichten- Luther prees de huisvader die er zich niet voor schaamde een goed en Gode welgevallig werk te verrichten door de luiers te wassen! Wie dus bepaalde werkzaamheden verricht, is niet doorslaggevend. Dat ze moeten gebeuren, en ook zoveel mogelijk door de ouders zelf, ligt voor de hand. Wel is het begrijpelijk dat de moeder in de jaren dat de kinderen nog klein zijn, meestal meer tijd aan hun verzorging besteedt dan de vader. Als gehuwde vrouw zal zij in de regel daarom sterker aan huis gebonden zijn dan haar man. Voor wie beseft hoe belangrijk het contact tussen moeder en kind is in de eerste levensfase, zullen daarom crèches en andere vormen van kinderopvang surrogaatoplossingen zijn.
Tot Gods eer
Ik ben met de toelichting op mijn definitie nog niet klaar. Arbeid noemde ik ‘alle verplichte activiteit die de mens verricht met het oog op zijn levensonderhoud, zijn eigen ontplooiing en de ontplooiing van zijn samenleving’. Daaraan voegde ik in mijn definitie het volgende nog toe: ‘Deze arbeid is een opdracht die we tot Gods eer en tot welzijn van de naaste mogen verrichten uit dank voor Christus’ verlossing’. Wat ligt er in deze toevoeging nog besloten-
Allereerst ligt er een verband tussen ons werk en het zoeken van Gods eer. Dat is een calvinistische uitspraak, omdat calvinisten de eer van God in hun leven centraal willen stellen. Maar wat betekent dit nu concreet met betrekking tot de arbeid- Ik voer u daarvoor terug naar wat God met de mens voorhad, toen Hij hem schiep naar Zijn beeld. Hij gaf de mens opdracht om de wereld te onderwerpen. In dat werk van de mens, dat honderdduizend facetten heeft, moest hij - de mens - zich vertonen als het beeld van God. Het werk van de mens zou een afspiegeling moeten zijn van de glans en glorie van de Schepper zelf. "Al uw werken zullen U loven, HERE", roept de dichter van Psalm 145 (vs.10) uit. Die lof moet dan niet alleen van de bomen, van de toppen van de bergen, van donder en bliksem en van de dieren van het veld komen, maar ook van de mens en van zijn arbeid die hij in en aan deze wereld verricht.
Bij die arbeid van alle dag mag en moet blijkbaar de naam van God genoemd worden. Binnen het christendom is er vaak onderscheid gemaakt tussen handenarbeid en ‘geestelijke’ arbeid. Het eerste zou van geringe, het tweede van hoge waarde zijn. Een gebed, een meditatie, een kerkgang zouden toch meer betekenen dan het omploegen van land en het melken van koeien. Luther brak met die tweedeling tussen het geestelijke en het wereldlijke leven. Hij kon uitroepen: "Als een gewone, grove handwerksman of schoenlapper of smid in zijn huis zit, ook al is hij vol vuil en vol roet, of al riekt hij kwalijk naar zweet en pek, maar hij denkt bij zichzelf: Mijn God heeft mij geschapen als man en mij een huis, vrouw en kind toebetrouwd, en mij bevolen hen lief te hebben en hen te onderhouden met mijn arbeid - zulk een man gaat met Gods Woord om in zijn hart. En of hij al van buiten stinkt, van binnen is hij louter balsem voor God".
Ik hoop dat wij ons gewone dagelijkse werk net zo aan de naam van God durven verbinden als Luther het hier deed. Dat werk hoeft niet verheven te zijn. Ik hoop dat wij over de waarde van de meest eenvoudige arbeid meer weten te vertellen dan dat je er geld mee gaat verdienen en genoeg overhoudt voor eigen ontspanning en zomervakantie.
Van groot belang voor alle arbeid die we verrichten, is de dank en de lofprijzing die we God ervoor willen brengen. Psalm 8 spreekt hier duidelijke taal. Er wordt over het heersen van de mens gesproken. Maar de verwondering over het werk van de mens wordt ingebed tussen de dubbele uitroep aan het begin en aan het eind: "O, HERE, hoe heerlijk is Uw naam op de ganse aarde" (8:1,10).
Tot welzijn van de naaste
Wie God prijst, krijgt ook beter zicht op zijn medemens. Hoe meer wij God immers prijzen, hoe meer wij van de aandacht voor onszelf bevrijd worden en openstaan voor de naaste. Zo begrijpen we ook beter hoe belangrijk de lof op God in ons leven is. De lof op God heeft als keerzijde dat we van onszelf loskomen. Als we van God vervuld zijn, zijn we het niet van onszelf. En als we niet van onszelf vervuld zijn, is er meer ruimte voor anderen. Daarom heb ik in mijn definitie aan de opmerking dat wij ons werk tot Gods eer moeten verrichten onmiddellijk toegevoegd: ‘tot welzijn van de naaste’.
Ik heb over dat welzijn van de naaste al het nodige gezegd. Arbeid is er niet alleen voor onze eigen ontplooiing, maar ook voor die van de samenleving, heel concreet: voor de mensen die God op onze weg plaatst om ze te helpen met onze arbeid of met de vrucht, de winst van onze arbeid.
Uit dank voor Christus’ verlossing
In mijn definitie komen nog enkele woorden voor: De arbeid is een opdracht, die we tot Gods eer en tot welzijn van de naaste mogen verrichten uit dank voor Christus’ verlossing. Ik wil met die woorden aangeven dat onze eigen arbeid in het licht staat van Christus’ arbeid. En dat is maar gelukkig ook. Want wij kunnen 's avonds op onze knieën God niet vertellen dat wij onze arbeid weer zo prima verricht hebben. Wij weten dat we zondaars zijn, en dat ook onze beste arbeidsprestaties alle onvolkomen en met zonde bevlekt zijn.
Er is maar één arbeider in Gods wijngaard geweest die zijn werk volmaakt verricht heeft: Jezus Christus. Ik zou ook kunnen zeggen, dat Hij de eigenlijke arbeid verricht heeft, zelfs zonder dat wij eraan te pas kwamen. Hij baande door zijn kruisdood en opstanding de weg naar een nieuwe wereld. Met onze arbeid kunnen en behoeven we geen plaats op deze of de nieuwe wereld veroveren, want die plaats ontvangen wij uit genade.
Omdat Hij, Jezus Christus, voor ons gearbeid heeft, is onze arbeid niet ijdel, niet vruchteloos in de Here Jezus (1 Kor.15:58). Dat slaat niet alleen op de arbeid van de dominee en de zendeling, maar ook op die van de huisvrouw, de landbouwer, de computerdeskundige, de leraar en de leerling. Zonder Mij kunt gij niets doen, heeft onze Heiland gezegd (Joh.15:5). Dat slaat ook op ons gewone dagelijkse werk, dat omringd moet zijn met gebed tot God, in Jezus’ naam.
Ik heb daarmee ook het antwoord gegeven op de vrees voor alle mogelijke dreigingen die er van het menselijk misbruik van zijn ‘bijna goddelijke’ mogelijkheden kan uitgaan. Wij kunnen huiveren bij de gedachte aan het Babylon dat de mens zal gaan bouwen. Hij zal zichzelf willen verlossen en de mens zoals hij nu is, willen herscheppen. Ik heb een boek in huis, waarin iemand met vreugde de tijd begroet dat de wetenschappers in staat zullen zijn om de menselijke natuur technologisch te herzien. Allerlei asociale menselijke instincten en neigingen zullen volgens deze schrijver gemakkelijker door genetische manipulatie dan door opvoedingssystemen gewijzigd kunnen worden. Er steekt volgens hem ook geen enkel kwaad in als we de superman en de supervrouw gaan scheppen2.
In zulke woorden ligt veel bluf. Maar stel eens, dat de wetenschappers straks serieus zullen gaan proberen het leven van plant, dier en mens tot in hun kern te veranderen om ons aan een betere wereld te helpen. En dat zij ons mensen willen bezorgen die van veel kwaad verlost worden. Dan nog blijven we volhouden dat er maar Eén is die ons verlossen kan en ons ook al verlost heeft: Jezus Christus. Het antwoord dat wij moeten geven is niet dat van arbeid en wetenschap, maar van geloof. Van geloof in Zijn arbeid.
Denk aan de zondag
Als ik tenslotte nog een middel aan de hand mag doen, om een goed zicht te houden op wat arbeiden is, dan raad ik ieder aan de zondag goed te besteden. Dat klinkt vreemd om van het thema van de arbeid af te stappen en over de zondag te beginnen. Maar ik stap niet van mijn thema af. Ik geef alleen aan dat we geen goed zicht op ons werk in de week krijgen als we de zondag uit het oog verliezen. Van die zondag moeten we genieten. Dat is geen dag waarop van alles niet mag wat doordeweeks wel mag, maar het is de dag waarop we los mogen komen van onze arbeid. We moeten onze vrijheid vieren in Christus, die op de zondag is opgestaan uit de doden en die niet wil dat wij vergeten dat de eigenlijke arbeid reeds verricht is. We moeten altijd weer leren van het evangelie waarin Christus ons oproept geen schatten op aarde te verzamelen, niet bezorgd te zijn over ons leven, wat we zullen eten, of waarmee we ons zullen kleden, maar eerst te zoeken het Koninkrijk van God (Matt.5:19vv).
Ik zeg dit niet om te beweren dat onze arbeid niet belangrijk is en dat het toch eigenlijk alleen maar aankomt op het ‘geestelijke’, op de kerkdienst met de preken, op bidden en op bijbellezen en op niet-werken op de zondag. Ik zeg het wel om mijzelf en anderen voor te houden dat ook op alle arbeid van de week geestelijk licht moet vallen. En dat daarom de beleving van de zondag onmisbaar is om op echt geestelijke wijze met het gewoonste werk in de week bezig te zijn.
Als we zo de zondag beleven, geldt van het werk in de week even ‘geestelijk’ als van de rust op de zondag:
O Christus die de wijnstok zijt,
de plant waarop de rank gedijt,
in U, o Heer, zijn wij geborgen.
De landman, die de ranken kent,
heeft ons de wijnstok ingeënt,
Hij zelf zal voor de vruchten zorgen.
Door U, o Christus, door Uw bloed,
zijn onze vruchten groot en goed.
EINDNOTEN
1 Het meeste van wat ik in dit artikel vermeld, is uitvoeriger terug te vinden in mijn Vrede in de maatschappij, 2e druk Kampen 1986.
2 Tristram Engelhardt, De menselijke natuur technologisch herzien, in: G.M.W.R. de Wert en I.D. de Beaufort (red.), Op de drempel van het leven, Baarn 1991.
Oorspronkelijk verschenen in Tijdschrift voor Theologie en Pastorale Counseling
8ste jaargang, 1ste kwartaal 1996, nr. 29, p. 54-61
© Centrum voor Pastorale Counseling v.z.w.
