Leven met een indringer
We vroegen ons af wat er ooit voor goeds uit de ziekte van mijn vrouw zou kunnen komen.
Het gebeurde zo geleidelijk dat Elisabeth en ik nauwelijks in de gaten hadden dat er iets mis was. Zij was nooit zozeer voor fysieke inspanning, maar waarom ging een heuvel opwaarts zo moeizaam?
‘Kom aan, mama, je kunt het,' riepen onze twee kinderen in koor. ‘We zullen duwen.' En daarmee stelden we ons gedrieën achter haar en gaven haar de energie die ze nodig had.
Maar naarmate deze slepende voeten steeds vaker voorkwamen, was het niet zo leuk meer als tijdens die vakantie in de bergen. Thuis, brachten de middagen vermoeidheid met zich mee. Ze klaagde over tinteling en een beklemmend gevoel dat haar rechterbeen zwaar maakte.
Elisabeth viel regelmatig, zoals wanneer ze op een stoel stond om een poster op te hangen in de klas. ‘Ik had voorzichtiger moeten zijn,' zei ze. Toch leek er meer aan de hand. Er waren tijden dat een onzorgvuldige draai haar uit balans bracht en op de grond deed vallen, waar ze bleef liggen tot ik haar weer overeind kon helpen. Eens lag ze de hele middags op de vloer, wachtend tot ik terug zou komen van werk.
Tegen die tijd had ze een diagnose: multiple sclerose. ‘Het wordt alleen slechter. Er is geen genezing,' zei de dokter recht voor de raap.
Deze indringer drong het lichaam van Elisabeth binnen, en breder gezien, ook bij mij. Haar ziekte werd mijn ziekte en eiste van onze relatie zaken waar we maar slecht op waren voorbereid. Naarmate het ging van wandelstok, naar looprek, naar elektrische scooter en uiteindelijk een elektrische rolstoel, en vervolgens het verlies van het gebruik van haar rechterhand, moest ik mijn leven aanpassen om in haar noden te kunnen voorzien.
Onuitgenodigd en niet welkom, dwingt deze ziekte ons toch in een soort ziekelijk realiteitsspel, dat ons geen keuze laat dan de regels te volgen, zelfs waar ze veranderen en steeds restrictiever worden.
Elisabeth leeft op de grens van wat ze aan kan. Hoe dichtbij die grens is, ontdekten we toen ze verkouden werd en koorts kreeg. In een poging het bed te verlaten voor het toilet, zakte ze neer op de vloer. De koorts ondermijnde de weinige kracht die ze nog had. In een poging rechtop te staan, klapte ze in elkaar. Ze miste zelfs de kracht om het mij mogelijk te maken haar onder haar armen op te tillen. Het ijlen door de koorts liet niet toe dat ze het probeerde.
Een telefoontje om hulp bracht haar uiteindelijk weer terug op bed, waar ik wegwerponderleggers onder haar kon schuiven om zo het matras te beschermen.
Het was alsof we een nieuwe fase van de ziekte binnentraden. Dat maakte mij bang. Ik vroeg me af of we nu te maken hadden met de dag waarvoor we beiden doodsbenauwd waren, namelijk dat ik onvermogend zal zijn haar het niveau van zorg te bieden dat ze nodig zal hebben.
Omgaan met het oneerlijke van het leven
's Avonds help ik haar omkleden, doe naar nachtpon aan, en stop haar in bed. Ik breng haar hete chocolademelk, een handvol pillen en een spuit interferon, die ik injecteert in haar dij of billen.
's Morgens is ze van mij afhankelijk om haar naar de badkamer te helpen, een bad te nemen zich aan te kleden voor de dag en het ontbijt klaar te maken, met nog meer pillen erbij. Ik doe de boodschappen, kook, was kleren, verzorg haar haar, en doe de vele dingen die ze indertijd zelf deed, voor haarzelf en voor mij. Ik ben dankbaar dat ze geleerd heeft met haar linkerhand mascara, eyeliner en lippenstift aan te brengen. En meer dan woorden kunnen vertellen ben ik dankbaar dat geen enkele vrouw in onze vriendenkring ‘kapsel verzorgd door Richard' heeft gevraagd, zoals Elisabeth het noemt.
Elk gezin verdeelt taken, eerlijk of niet. De MS dicteert de onze en het is helemaal niet eerlijk. Maar we hebben de keuze om het ons uit elkaar te laten drijven of het te gebruiken om onze huwelijksband te versterken, terwijl we gezamenlijk de strijd aangaan. Dit gaat verder dan beslissen wie wat doet. Het raakt aan gevoelens, emoties en houdingen ten aanzien van wat we doen, wat ons wordt aangedaan, en wie we zijn tegenover onszelf en tegenover elkaar.
Mijn vrouw aankleden maakt mij nederig. Het vernedert haar. Heb ik wel eens gedachten als: ‘Waarom lees ik recepten en doe ik de afwas? Controleer ik of haar neus druipt? Maak ik haar beha los en vul haar lingerielade vanuit de droger? Daar kan je zeker van zijn. En ik weet dat de manier dat ik met die gedachten omga, een grote invloed op Elisabeth heeft.
Wanneer zij mij vraagt haar een deken en een boek te brengen, zucht ik onbewust, te lang en te luid. ‘En doe het licht aan, maar help mij eerst uit mijn ligstoel naar de rolstoel, zodat ik het toilet kan gebruiken. En ik had graag wat thee en crackers gehad wanneer ik terug in de ligstoel ben.' Ze aarzelt. ‘Het spijt me dat je dit moet doen.'
Ik vertrek mijn gezicht en realiseer mij dat zij mijn zucht gehoord heeft. Deze afhankelijkheid tast haar zelfwaarde aan, en mijn reacties maken het erger. Maar hoe stop ik met iets waar ik mij niet eens bewust van ben?
We bidden samen om genezing. Onze gezinnen en onze gemeente pleiten voor God voor een terugkeer van de dag waarop Elisabeth en met geopende hand de hand kan schudden in plaats van met een permanent gesloten vuist. Of dat ze zonder erbij na te denken de trap af kan lopen.
Indien we echter alleen rouwen om het verdriet, missen we de winst - dat wat deze ziekte ons aandoet kan ook voor ons gedaan worden. Zelfs naarmate de MS vaardigheden uit het leven van Elisabeth steelt, groeit vanbinnen haast onopgemerkt een genezing. Wanneer we er met elkaar over spreken, vraagt Elisabeth zich luidop af: ‘Was dit werkelijk nodig om mij te leren dat mijn ziel voor God belangrijker is dan mijn lichaam?'
En ik vraag: ‘Is dit wat Jezus bedoelde toen Hij zijn discipelen onderwees om te dienen? Toen Hij 2000 jaar geleden hun voeten waste, keek Hij op dat moment in de toekomst en zag hij mij de kleren van mijn vrouw wassen en haar op de douchestoel helpen om te kunnen wassen? Was dit werkelijk nodig om mij erbarmen te leren?'
Zou het kunnen zijn dat God in Zijn wijsheid en liefde deze ziekte aan Elisabeth en mij geeft om ons van binnenuit te genezen op manieren die Hij veel belangrijker vindt dan hoe effectief de signalen van haar hersenen naar haar spieren lopen?
Van wie hou ik meer?
Gods genezing kan heimelijk zijn. Wij bidden dat Elisabeth haar oude leven kan hervatten; Hij wil dat ze een nieuw leven opneemt. Wij verlangen naar uiterlijke verandering; Hij verlangt innerlijke verandering. Wij bidden voor wat wij nodig hebben; Hij antwoordt met wat Hij weet wat wij nodig hebben.
Is het verkeerd een compleet en goed functionerend lichaam te willen? Helemaal niet. Maar alhoewel we ons van nature op het vlees concentreren, dwingt deze ziekte Elisabeth en mij om onze gedachten op de Geest te richten. De apostel Paulus zei: ‘Want de gezindheid van het vlees is de dood, maar de gezindheid van de Geest is leven en vrede.(Rom. 8:6). Hoe onverwacht is dit?
Om je de waarheid te zeggen, Elisabeth en ik leren nog steeds de werkelijkheid van deze openbaring. Zij vertelt mij dat toen zij geen keuze had dan zich aan MS te onderwerpen, ze leerde hoe zich te onderwerpen aan haar Heer.
En hij deed mij mijzelf de vraag stellen wie ik liefheb.
Wanneer ik voor genezing bid, is dat voor Elisabeth? Of is het omdat haar genezing mijn leven een stuk gemakkelijker zou maken? Ik daag uit: ‘Bent u niet de God die geneest? Ik hou van haar en ik wil dat zij gezond is.' Maar in mijn achterhoofd weet ik dat ik ook wil dat zij geneest ten behoeve van mij.
Als antwoord op mijn uitdaging, vraagt de Jezus mij net zoals aan Petrus: ‘Hebt gij Mij waarlijk lief, meer dan dezen? ‘ Ik denk: Hij wil dat ik hem meer liefheb dan mijn vrouw? Dus antwoord ik met de woorden van Petrus: ‘Ja Heer, gij weet dat ik u liefheb'.
‘Weid mijn lammeren' (Joh. 21:15), zegt Hij mij.
Ik zorg voor Elisabeth. Zij is Zijn lam. Toont dat niet dat ik Hem liefheb?
Maar wat vraagt Hij echt? Hij vraagt dat ik meer van Hem hou dan van dan deze dingen die ik wil, de dingen die ik zou hebben als deze ziekte maar gewoon weg zou gaan. Nu is mijn antwoord niet meer zo oppervlakkig. Kan ik echt meer van God houden dan van mijn vrouw, maar niet meer dan van deze dingen die ik wil? Het zijn geen slechte dingen: een gelukkig, gezond leven samen, een wandeling op het strand zonder een rolstoel die vastloopt in het zand, op tijd naar de kerk gaan omdat zij zichzelf kan aankleden.
Wat aan het licht komt maakt mij beschaamd. Hou ik meer van Hem dan van die dingen? Dit is de liefde van Matteüs 22:37-39, die mij gebiedt God lief te hebben met alles wat in mij is, met heel mijn hart, ziel, en verstand, en mijn naaste - mijn vrouw - als mijzelf.
Houden van wat ik voor mijzelf wil, staat zelfs niet op de lijst.
Het zit niet in mij om zo lief te hebben, behalve dat God heeft beloofd dat deze liefde ‘in onze harten uitgestort is door de heilige Geest, die ons gegeven is' (Rom. 5:5). God heeft mij een onmogelijk gebod gegeven, maar Hij heeft mij de kracht gegeven het te gehoorzamen.
De indringer verblijft nog steeds in ons huis, stelt ons nog steeds elke dag voor nieuwe uitdagingen, leert ons nog steeds krachtige lessen over onderdanigheid, afhankelijkheid, dienstbaarheid, en over een liefde die alle dingen verdraagt en nooit vergaat (1 Kor. 13:7-8), zelfs wanneer ik faal.
Het kan vreemd lijken, maar de indringer begint steeds meer op een gast te lijken.
Dit artikel werd oorspronkelijk gepubliceerd in Christianity Today International/Marriage Partnership magazine. Gebruikt met toestemming.
Metamorfose, Magazine voor pastoraat en hulpverlening
19de jaargang, 4e kwartaal 2009, nr 84, p. 20-21, p. 31
© Centrum voor Pastorale Counseling, v.z.w.
Peterson, Dick
